Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

De DSM-5 beschrijft een standaardlijst van gedragsmatige en diagnostische concepten die moeten worden meegenomen in de differentiële diagnostiek van genderdysforie. Een kind dat zich slechts niet conformeert aan stereotiep genderrolgedrag kan gendertypische activiteiten en spel afwijzen, maar heeft er geen twijfel over dat zijn of haar gender klopt met het bij de geboorte toegewezen gender. Deze non-conformiteit zal over het algemeen van voorbijgaande aard zijn en veranderen naarmate de persoon in kwestie opgroeit, al dan niet onder invloed van leef­tijds­ge­no­ten. Stoornissen in de seksuele ontwikkeling kunnen wel of niet gepaard gaan met genderdysforie en moeten dus worden uitgesloten. Bij mensen met een trans­ves­tie­stoor­nis roept de crossdressing seksuele arousal en opwinding op, en dit komt het meest voor bij mannelijke heteroseksuele of biseksuele adolescenten of volwassenen. In zeldzame gevallen kan crossdressing ook bij kinderen arousal veroorzaken, en wel of niet gepaard gaan met genderdysforie of trans­gen­der­schap. Als beide naast elkaar bestaan kunnen beide classificaties worden toegekend.

Iemand met een morfodysfore stoornis is sterk gericht op het veranderen of verwijderen van een specifiek lichaamsdeel omdat de vorm hiervan als afwijkend wordt ervaren, en niet vanwege een probleem met het gender.

De aanwezigheid van symptomen als hallucinaties en paranoïde wanen en kennis over het ziektebeloop maken het mogelijk om te differentiëren tussen een adolescent met schizofrenie of een andere psychose, waarbij er de ongebruikelijke waan kan zijn tot het andere gender te behoren, en een kind met genderdysforie. Als er geen sprake is van psychotische symptomen wordt het feit dat een kind met genderdysforie volhoudt dat hij of zij tot een ander gender behoort niet als een waan beschouwd.

Er bestaan mannen die om esthetische redenen of om de psychologische effecten van androgenen tegen te gaan vragen om castratie en/of penectomie, zonder hun mannelijke identiteit te veranderen; dit soort beelden voldoet echter niet aan de criteria voor genderdysforie. Verder moeten clinici stoornissen in de ge­slachts­ont­wik­ke­ling uitsluiten, zoals een congenitaal androgenitaal syndroom, congenitale bij­nier­hy­per­pla­sie, an­dro­geen­on­ge­voe­lig­heids­syn­droom of aandoeningen met een chro­mo­soom­de­fect.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.