Opnemen van de anamnese

Opnemen van de anamnese

De volgende reeks vragen aan ouders kan helpen bij het duidelijk krijgen van de classificatie. ‘U bent bezorgd om uw kind. Wat hebt u opgemerkt waarover u zich zorgen maakt? Hoelang is dat al gaande? Wat waren de eerste dingen die u opvielen? Wat voor soort kleding draagt uw kind het liefst? Welke spelletjes, activiteiten en speelgoed hebben de voorkeur van uw kind? Wat gebeurt er als u hier niet aan toegeeft en aandringt op andere? Met wie speelt uw kind het liefst en gaat hij of zij het liefst om? Hebt u zicht op het soort fantasiespel dat uw kind het liefst speelt? Heeft uw kind weleens gezegd dat het een hekel heeft aan zijn of haar eigen lichaam of geslachtsdelen? Heeft uw kind weleens de wens geuit tot een ander geslacht te behoren? Hoeveel last heeft uw kind hiervan? Hebt u weleens gemerkt dat uw kind verdrietig of nerveus is of in een isolement verkeert, of heeft u andere signalen gekregen dat uw kind het moeilijk heeft? Hoe gaat het met uw kind op school? Hebt u nog relevante informatie van leerkrachten of andere ouders? Heeft uw kind vriendjes/vriendinnetjes? Wat voor soort vriendschappen zijn dat? Is er iets veranderd aan de manier waarop u met uw kind omgaat? Heeft deze situatie van uw kind iets veranderd aan hoe u over uw kind denkt of hoeveel nabijheid u voelt tot hem of haar?’

In het onderzoek naar de classificatie genderdysforie bij kinderen zal de onderzoeker minstens twee in­for­ma­tie­bron­nen gebruiken, de ouders en het kind zelf. Tijdens het onderzoeken van de jonge patiënt kan de onderzoeker, behalve zijn of haar constitutie, presentatie en manieren van doen, uiten, spreken enzovoort te observeren, ook de hiervoor beschreven reeks vragen gebruiken, aangepast voor de leeftijd en ont­wik­ke­lings­fa­se van het kind.

De ouders zullen hoogst­waar­schijn­lijk gespannen, bezorgd en bevreesd zijn over de uitslag van het consult. Het maken van een afspraak hebben zij misschien wel maanden, soms zelfs jaren, voor zich uit geschoven, in de hoop dat het door hen waargenomen gender-atypische gedrag — een meisje dat zich als een ‘wildebras’ gedraagt of ‘meisjesachtig’ gedrag bij een jongen — een ‘voorbijgaande fase’ zou blijken of ‘iets waar ons kind wel overheen zou groeien’. Pas als deze gedragingen in de loop van de tijd aanhouden en gepaard gaan met stellige uitspraken van de jonge patiënt dat hij of zij tot het andere gender behoort of met uitingen over wensen in die richting, raken ouders gealarmeerd en melden ze zich bij het spreekuur. Ook kunnen de ouders variaties in seksuele voorkeur verwarren met een trans­gen­der­beeld dat dysforie veroorzaakt, wat leidt tot vertraging bij het maken van een afspraak en diagnostisch onderzoek.

Informatie van broers en zusjes, leerkrachten en familieleden kan meer duidelijkheid geven over de relevantie van een classificatie genderdysforie bij kinderen. Bij een zo gevoelig liggende classificatie als deze moet de clinicus zich zo objectief, niet-oordelend, begripvol, steunend en empathisch mogelijk opstellen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.