Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

Voor de differentiële diagnostiek van schizofrenie moet gevraagd worden naar de hoofdsymptomen in criterium A, en moet worden bepaald of deze symptomen mogelijk wijzen op een andere stoornis. Een beperking in het functioneren is meestal een van de belangrijkste redenen waarom iemand onder de aandacht van zorgverleners komt. De mate waarin er sprake is van functionele beperkingen kan schizofrenie differentiëren van nauwer gedefinieerde stoornissen, zoals een waanstoornis of een stem­mings­stoor­nis. Als de patiënt een duidelijk beeld vertoont van depressiviteit of manie, dienen meteen stem­mings­stoor­nis­sen en de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis te worden overwogen. Het aantal episoden en het verdwijnen van de psychose na het reguleren van de stemming maken het onderscheid tussen stem­mings­stoor­nis­sen en schizofrenie. Bij aanhouden van een psychotisch beeld na regulering van de stemming (inclusief eerdere be­han­del­pe­ri­o­den) dient ofwel de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis of schizofrenie overwogen te worden. Het differentiëren van deze twee stoornissen kan moeilijk zijn en vereist een zorgvuldig retrospectief onderzoek van de percentuele verhouding tussen de duur van de stem­mings­stoor­nis en de totale duur van de psychotische stoornis.

Andere belangrijke dif­fe­ren­ti­ë­ren­de factoren zijn de ziekteduur en eventuele andere externe verklaringen voor de symptomen. Op een tijdscontinuüm heeft de kortdurende psychotische stoornis een duur van minder dan één maand; de schi­zo­fre­ni­for­me stoornis minder dan zes maanden; en schizofrenie en de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis meer dan zes maanden. Indien ofwel een onderliggende somatische aandoening of het gebruik van middelen een mogelijke bron van de schi­zo­fre­nie­symp­to­men is, moeten deze als mogelijke oorzaak worden uitgesloten. Behandeling van de onderliggende somatische aandoeningen en onthouding van middelengebruik, indien van toepassing, kunnen leiden tot een volledig verdwijnen van de schi­zo­fre­nie­symp­to­men. Dat bevestigt dat er sprake was van een psychotische stoornis door een somatische aandoening respectievelijk door een middel/medicatie. Per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen (bijvoorbeeld de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis), com­mu­ni­ca­tie­stoor­nis­sen en de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis moeten ook worden overwogen. Meestal is bij deze stoornissen sprake van een al langer bestaand gedragspatroon zonder het volledige beeld van een psychose zoals dat gezien wordt bij schizofrenie. Afhankelijk van de inhoud van de symptomen moeten de obsessieve-compulsieve stoornis, de morfodysfore stoornis en de post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis ook worden overwogen.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.