Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Darous Tahiri, een 28-jarige man van Marokkaanse afkomst, komt naar de polikliniek na een verwijzing van zijn huisarts. Deze is bezorgd dat hij overdreven gepreoccupeerd is met een hoest die niet lijkt te worden veroorzaakt door een infectie. Bij de huisarts maakt Darous een afwezige indruk, hij kijkt soms weg en praat in zichzelf.
De psychiater moet erop bedacht zijn dat Darous een psychiatrische aandoening heeft, maar dat het ook mogelijk is dat de hoest wordt veroorzaakt door een nog te bepalen somatische oorzaak. Hij vraagt ten eerste waarom Darous naar hem toe is gekomen en of hij de bezorgdheid van zijn huisarts begrijpt. Darous zegt dan: ‘Ik ben hier omdat de dokter zegt dat het allemaal tussen mijn oren zit.’ Waarop de clinicus antwoordt: ‘Ik weet niet zeker of dat waar is, dus vertelt u mij maar over die hoest.’ Hij gaat verder dan het uitvragen van de symptomen van de hoest (bijvoorbeeld de frequentie, of hij slijm ophoest of niet en of hij andere lichamelijke klachten heeft) en stelt vragen over de zorgen die Darous zich maakt over het hoesten: ‘Wat denkt u dat de oorzaak is van het hoesten? Waarvoor bent u bang, wat zou er gebeuren als het hoesten niet ophoudt?’ In het gesprek kijkt de patiënt vaak weg en praat hij in zichzelf. De psychiater vraagt: ‘Het lijkt alsof u met iemand anders in de kamer aan het praten bent. Wilt u mij daarover vertellen?’ De man antwoordt dat hij zijn moeder tegen hem hoort praten, hoewel ze drie jaar geleden al overleden is. De psychiater vraagt waar hij en zijn moeder dan over praten. Hoewel patiënt eerst op zijn hoede is, zegt hij uiteindelijk dat zijn moeder hem vertelt dat er overal bacteriën zijn en dat hij daar bang voor moet zijn. De psychiater vraagt vervolgens hoelang hij al in staat is om met zijn moeder te praten en of deze gesprekken hem helpen. Volgens Darous doet hij dit sinds een jaar, en is het enorm nuttig om met haar te praten. Als hij spreekt, laat hij nauwelijks emoties zien. Om meer te weten te komen vraagt de clinicus of de patiënt overstuur was over de dood van zijn moeder. Met weinig emotie zegt Darous dat hij dat in het begin wel was, maar dat hij nu inziet dat hij nog steeds met haar kan praten, alsof ze nog in leven is. De psychiater vraagt of het hoesten invloed heeft op zijn werk. Uit het antwoord blijkt dat Darous nu niet werkt, omdat er ‘daar’ te veel bacteriën zijn. Hij vraagt de patiënt of hij tegen de hoest en de ziektekiemen voorgeschreven medicijnen, huismiddeltjes of zelfs drugs neemt, waarop Darous vertelt dat hij een tijdje voorgeschreven antibiotica heeft genomen, maar nu niet meer. Hij heeft in zijn buurt een alternatieve genezer geraadpleegd, die hem aanraadde om gestoomd water met knoflook in te ademen, wat hij zo nu en dan doet. Hij zegt dat hij geen drugs gebruikt.
De stelling ‘Als een clinicus eenmaal één geval van schizofrenie heeft gezien, heeft hij één geval van schizofrenie gezien’ is gedeeltelijk waar. De details zijn uniek voor elke patiënt, en het is vaak fascinerend om de verschillende verhalen van patiënten aan te horen. De psychose treedt altijd op in de context van het leven van de patiënt, zijn familie, stressoren en voorbije gebeurtenissen. Darous Tahiri presenteert een lichamelijk symptoom, wat een veelvoorkomende reden is om behandeling te zoeken. De feiten over de lichamelijke symptomen en de betekenis die hij daaraan geeft zijn belangrijk. Andere patiënten kunnen zich voor behandeling melden na een opvallende achteruitgang in hun functioneren, een mislukte tentamenperiode, of een nieuwe baan die ze niet aankunnen. Weer anderen hebben in hun kindertijd psychische problemen gehad met een verscheidenheid aan andere aandoeningen die ofwel gezamenlijk optraden met of voorboden waren van een volledig manifeste psychose. De psychiater moet enerzijds openstaan voor de specifieke details in het verhaal van de patiënt, maar anderzijds beseffen, op basis van de ervaring met veel patiënten, dat er centrale thema’s ontstaan. Deze thema’s zijn preoccupaties met overtuigingen die een negatieve invloed hebben op het functioneren en het denken, en gedragingen die wijzen op schizofrenie. Bepaalde manieren waarop een patiënt gedachten uitdrukt, vaak losgekoppeld van het volledige scala aan emoties, wijst op schizofrenie. De ervaren clinicus begrijpt dat schizofrenie geen one visit-diagnose is, maar dat deze in de loop van de tijd bevestigd moet worden aan de hand van meerdere beoordelingen.