Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Mevrouw Kraaijenoord, een getrouwde vrouw van 33 jaar, heeft vanwege haar sombere stemming een consult aangevraagd bij de huisarts. Zij vertelt dat ze op het werk redelijk goed functioneert en dat ze de taken die binnen haar huwelijk van haar verwacht worden uitvoert, maar dat ze ‘gebukt gaat onder somberheid en depressiviteit’ en zich vaak ‘niet op mijn best’ voelt. Ze geeft ook aan dat ze last heeft van vermoeidheid, een laag gevoel van eigenwaarde en een slechte concentratie, maar ze heeft geen suïcidegedachten. Om na te gaan hoe intens de symptomen zijn, vraagt de arts: ‘Voelt u zich elke dag zo, of varieert uw stemming meer van dag tot dag?’ Als mevrouw Kraaijenoord aangeeft dat haar stemming enigszins van dag tot dag varieert, vraagt de arts haar hoeveel dagen gemiddeld per week ze zich somber, down of depressief voelt. Als ze vertelt dat het om ‘ongeveer vier dagen’ gaat, vraagt de arts door over het ontstaan van de klachten. Als haar wordt gevraagd hoelang ze zich al zo voelt, antwoordt mevrouw Kraaijenoord: ‘Ik weet het niet zeker; ik heb het al een heel lange tijd.’ De arts vraagt: ‘Wanneer was de laatste keer dat u zich niet het merendeel van de tijd somber of depressief voelde?’ Als mevrouw Kraaijenoord aangeeft dat ze het niet weet, begint de arts door te vragen naar belangrijke gebeurtenissen in haar leven. Ze is zes jaar geleden getrouwd, en de huisarts vraagt of ze zich rond haar bruiloft ook depressief voelde. Ze antwoordt: ‘Nee, dat was een heel gelukkige tijd.’ De arts vraagt vervolgens naar andere bijzondere dagen: ‘Voelde u zich depressief toen u precies één jaar getrouwd was? En hoe was dat op uw eerste verjaardag na de bruiloft?’ Bij dit nader onderzoek begint mevrouw Kraaijenoord te beseffen dat haar symptomen ongeveer drie jaar geleden zijn opgekomen, toen ze na een jaar van tevergeefs proberen zwanger te worden, zich zorgen begon te maken dat haar man en zij niet in staat zouden zijn om een kind te verwekken. De klachten zijn dus ongeveer drie jaar geleden begonnen.
Om de intensiteit van de sombere stemming in te schatten is het nuttig om te vragen hoe de symptomen van dag tot dag en van week tot week variëren. De vraag ‘Hoeveel dagen gemiddeld per week voelt u zich zo?’ levert vaak bruikbare informatie op. Als er een vermoeden is van een persisterende depressieve stoornis, is het van belang om vragen te stellen over alle mogelijke symptomen (bijvoorbeeld een slechte eetlust of te veel eten, verstoring van de slaap of hopeloosheid). Het is ook belangrijk om te vragen naar specifieke symptomen van depressiviteit die niet in de criteria voor dysthymie staan, zoals anhedonie en suïcidegedachten, om een depressieve stoornis te onderscheiden naast symptomen van de persisterende depressieve stoornis. Om na te gaan wanneer de stoornis is begonnen, is het vaak nuttig om te vragen naar de stemming tijdens belangrijke gebeurtenissen — bijvoorbeeld verjaardagen, jubilea en feestdagen. Dat geeft een indicatie van de duur van de klachten. Een voorgeschiedenis met een manische, hypomanische of gemengde episode gaat niet samen met de classificatie persisterende depressieve stoornis, dus is het van cruciaal belang om deze uit te sluiten.
De symptomen dienen ook lijdensdruk of beperkingen te veroorzaken, dus het is belangrijk om te vragen hoe de symptomen van invloed zijn op het leven van de patiënt op belangrijke terreinen, zoals werk, vriendenkring en familie.