Depressieve-stemmingsstoornissen
- Het wordt toch niet beter. Waarom zou ik het proberen?
- Hij glimlacht niet eens meer naar onze kleinzoon.
Bruce A. Arnow, Tonita E. Wroolie, Sanno E. Zack
De categorie depressieve-stemmingsstoornissen bevat de depressieve stoornis; persisterende depressieve stoornis (dysthymie); premenstruele stemmingsstoornis; disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis (die specifiek geldt voor kinderen onder de 12 jaar); depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie, depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening, andere gespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis en ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis.
De hoofdsymptomen van de depressieve stoornis, de meest voorkomende aandoening in deze categorie, zijn een sombere of neerslachtige stemming en/of anhedonie. Andere mogelijke symptomen van de depressieve stoornis zijn significant gewichtsverlies of verandering van eetlust; insomnia of hypersomnia; psychomotorische agitatie of vertraging; vermoeidheid of verlies van energie; gevoelens van waardeloosheid of buitensporige schuldgevoelens; verminderde concentratie of besluiteloosheid; en terugkerende gedachten aan de dood, suïcidegedachten of een suïcidepoging of plan. De symptomen dienen gedurende minstens twee weken het grootste deel van de dag, bijna elke dag, aanwezig te zijn. Volgens de DSM-5-criteria voor de depressieve stoornis zijn minstens vijf symptomen vereist, waarvan één een sombere stemming of verlies van interesse of plezier (anhedonie) moet zijn. Mensen die aan de criteria voor de depressieve stoornis voldoen hebben nooit een manische of hypomanische episode doorgemaakt (tenzij de manie of hypomanie te wijten is aan het gebruik van een middel of toe te schrijven is aan de fysiologische effecten van een somatische aandoening).
Hoewel de symptoomcriteria van de persisterende depressieve stoornis (dysthymie) vergelijkbaar zijn met die van de depressieve stoornis, met een sombere stemming als het centrale kenmerk, is het hoofdkenmerk van de persisterende depressieve stoornis chroniciteit. Dat wil zeggen dat de sombere stemming bij volwassenen gedurende minstens twee jaar aanwezig moet zijn geweest. Bij kinderen is de minimale duur één jaar en kan de stemming overwegend prikkelbaar zijn. Voor de classificatie persisterende depressieve stoornis is een lager aantal symptomen vereist dan bij de depressieve stoornis (i.e., drie in plaats van vijf) en dienen de symptomen meer dagen wel dan niet aanwezig te zijn, maar niet per se bijna elke dag, zoals bij de depressieve stoornis. Een groot deel van de mensen die aan de criteria voor de persisterende depressieve stoornis voldoen, kan tijdens het beloop van de stoornis aan de criteria voor de depressieve stoornis gaan voldoen.
De premenstruele stemmingsstoornis houdt stemmingswisselingen in tijdens de laatste week voor het begin van de menstruatie; deze symptomen worden binnen een paar dagen nadat de menstruatie is begonnen geleidelijk minder, totdat ze in de week na de menstruatie geminimaliseerd of afwezig zijn. Minstens één van de volgende symptomen moet prominent aanwezig zijn: affectieve labiliteit; prikkelbaarheid, boosheid of een toename van interpersoonlijke conflicten; een sombere stemming, gevoelens van hopeloosheid of gedachten van zelfdepreciatie; en angst. Andere symptomen zijn een verminderde interesse in de gewoonlijke activiteiten; moeite met concentreren; een gebrek aan energie; veranderingen in de eetlust of een hunkering naar specifieke voedingsmiddelen; hypersomnia of insomnia; het gevoel overspoeld te worden door emoties of zichzelf niet in de hand te hebben; of lichamelijke klachten zoals gevoelige borsten, een opgeblazen gevoel of spierpijn. Om aan de criteria te voldoen moet er sprake zijn van minstens vijf symptomen. De symptomen dienen in het jaar voorafgaand aan de diagnose tijdens de meeste menstruatiecycli aanwezig te zijn geweest.
De disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis moet worden onderscheiden van andere stoornissen bij kinderen, waaronder bipolaire-stemmingsstoornissen. Het belangrijkste symptoom van de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis is ernstige, aanhoudende prikkelbaarheid in reactie op dagelijkse stressoren. Patiënten met een disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis laten frequent (gemiddeld drie of meer keer per week) woede-uitbarstingen zien, die zich mondeling of in het gedrag kunnen uiten (bijvoorbeeld fysieke agressie jegens mensen of eigendommen). Kinderen moeten tussen de uitbarstingen in ook een aanhoudend negatieve stemming laten zien. Het kind moet minimaal de leeftijd van 6 jaar hebben bereikt, en de stoornis moet voor de leeftijd van 10 jaar beginnen. De symptomen dienen minstens één jaar aanwezig te zijn.
De classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie is aangewezen wanneer de depressieve symptomen zich ontwikkelen tijdens of kort na blootstelling aan een geneesmiddel waarvan bekend is dat het dergelijke symptomen kan veroorzaken, of als de symptomen in de tijd duidelijk samenhangen met intoxicatie door of onttrekking van een middel. Iemand heeft een depressieve-stemmingsstoornis door een somatische aandoening wanneer bij onderzoek blijkt dat de depressieve symptomen het best te verklaren zijn door een somatische aandoening (bijvoorbeeld hypothyreoïdie).
In de DSM-5 zijn in het hoofdstuk ‘Depressieve-stemmingsstoornissen’ twee andere classificaties opgenomen. Bij een ‘andere gespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis’ is sprake van depressieve symptomen in combinatie met klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren, zonder dat volledig aan de criteria wordt voldaan voor een van de eerdergenoemde depressieve-stemmingsstoornissen. Wanneer de clinicus deze classificatie gebruikt, specificeert hij of zij de reden waarom de patiënt niet aan de criteria voor een specifieke depressieve-stemmingsstoornis voldoet (bijvoorbeeld een te korte duur van de episode of te weinig symptomen). De classificatie ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis ten slotte lijkt op de voorgaande classificatie, behalve dan dat de clinicus hier geen specifieke reden noteert waarom de betrokkene niet volledig voldoet aan de criteria voor een andere depressieve-stemmingsstoornis. In veel gevallen heeft de clinicus onvoldoende informatie om deze reden te kunnen specificeren.
Een van de belangrijkste veranderingen in de DSM-5 is dat de depressieve-stemmingsstoornissen en de bipolaire-stemmingsstoornissen niet langer in één hoofdstuk zijn opgenomen, zoals in de DSM-IV; het zijn nu twee aparte categorieën/hoofdstukken. Bij de depressieve stoornis is de term ‘hopeloos’ toegevoegd aan de beschrijving van de sombere stemming, en is het uitsluitingscriterium voor rouw, dat in de DSM-IV nog wel was opgenomen, verwijderd. Ook bij rouwenden kan de clinicus nu op basis van een klinisch oordeel een depressieve stoornis vaststellen. De disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis is een nieuwe stoornis in de DSM-5. Deze classificatie is gedefinieerd omdat er zorgen waren over de overclassificatie in de Verenigde Staten van bipolaire-stemmingsstoornissen bij kinderen. Kinderen die voldoen aan de criteria voor de disruptieve stemmingsdisregulatiestoornis krijgen vaker als adolescent of volwassene een unipolaire depressieve stoornis of angststoornis dan een bipolaire-stemmingsstoornis. De persisterende depressieve stoornis, die ook nieuw is in de DSM-5, komt overeen met de dysthyme stoornis in de DSM-IV. De criteria zijn echter zodanig aangepast dat ook gevallen van chronische depressieve episoden hieronder vallen. Er zijn specificaties opgenomen die de relatie aangeven tussen de symptomen van de persisterende depressieve stoornis en die van de depressieve stoornis in de voorafgaande twee jaar. De premenstruele stemmingsstoornis, die in de DSM-IV in Appendix B was opgenomen om verder te worden onderzocht, is nu een aparte stoornis geworden en in het hoofdstuk over de depressieve-stemmingsstoornissen in de DSM-5 opgenomen.