Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
Narcolepsie moet ten eerste worden onderscheiden van hypersomnia’s zonder hypocretinedeficiëntie. Mensen met deze stoornissen kunnen ook klagen over vermoeidheid en slaperigheid en kunnen bij een MSLT zelfs een korte slaaplatentie en twee of meer remperioden tijdens de inslaapfase laten zien. Typering van HLA-DQB1*06:02 kan worden gebruikt om deze aandoeningen van elkaar te onderscheiden. Als de HLA-typering negatief is, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de patiënt narcolepsie heeft, maar als deze positief is, kan de patiënt al dan niet een hypocretinedeficiëntie hebben. Een lumbale punctie om het hypocretine-1-gehalte in de cerebrospinale vloeistof te bepalen zal de classificatie bevestigen.
Slaapdeprivatie en onvoldoende nachtrust zijn veelvoorkomende redenen voor overmatige slaperigheid overdag. Soms kan de slaperigheid te wijten zijn aan gedragsfactoren (bijvoorbeeld iemand met een fulltimebaan, een studie en kinderen, en ‘te weinig uren in een dag’) of een circadiane afwijking (bijvoorbeeld een tiener met een circadiane-fasevertraging die niet voor 02:00 uur in slaap valt en dan om 6:00 uur moet opstaan om naar school te gaan, of een werknemer in ploegendienst die ’s nachts werkt en overdag moeite heeft met slapen). Ademhalingsgerelateerde slaapstoornissen (i.e., slaapapneusyndromen) komen veel vaker voor dan narcolepsie en kunnen een gefragmenteerde slaap veroorzaken die tot overmatige slaperigheid overdag leidt. Mensen met een depressieve stoornis kunnen lijden aan hypersomnolentie en vermoeidheid, maar ze zijn meestal niet slaperig en hebben doorgaans geen van de andere bijbehorende symptomen van kataplexie, slaapparalyse of handelen in reactie op een droom. Sommige mensen met een conversiestoornis (functioneel-neurologisch-symptoomstoornis) presenteren zich met langdurige, ingrijpende pseudokataplectische aanvallen, waarin reflexen worden uitgelokt. Deze patiënten kunnen ook volhouden dat ze tijdens de MSLT sliepen, terwijl de ecg’s geen slaap laten zien. Bij kinderen kan overmatige slaperigheid worden beschouwd als een gedragsprobleem of als onoplettendheid, hoewel deze kinderen zich niet presenteren met hyperactiviteit. Kataplexie, automatismen en slaapaanvallen zouden kunnen worden uitgelegd als convulsies, maar als iemand een kataplectische aanval heeft, is hij of zij alert en bewust, en is er minder risico op gewond raken door de aanval dan bij iemand met bijvoorbeeld epilepsie. Deze aanvallen worden tevens niet opgewekt door emotionele stimuli. Elektro-encefalografie kan behulpzaam zijn bij het uitsluiten van convulsiestoornissen. Chorea en PANDAS (pediatric autoimmune neuropsychiatric disorders associated with streptococcal infections) moeten worden overwogen bij kinderen die narcolepsie ontwikkelen, vooral omdat narcolepsie in het kader van acute post-streptokokkeninfecties kan optreden. Schizofrenie dient overwogen te worden bij patiënten met narcolepsie vanwege de aanwezigheid van hallucinaties. Deze stoornis kan comorbide voorkomen met narcolepsie, maar mensen met alleen narcolepsie laten niet de denkstoornissen of negatieve symptomen zien die kenmerkend zijn voor schizofrenie.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.