Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
De heer Hessels is een 90-jarige man die naar de afdeling spoedeisende hulp is gebracht. Hij is niet in staat om vragen te beantwoorden, lijkt het grootste deel van de dag lusteloos te zijn, raakt gemakkelijk afgeleid door verplegend personeel dat de ruimte in en uit loopt, en zegt dat hij ‘vreemden’ in de kamer ziet. De onderzoeker stelt eerst het familielid dat met hem meegekomen is een aantal vragen om het beloop van de symptomen te bepalen: ‘Wanneer heeft u voor het eerst gemerkt dat hij moeite heeft met het beantwoorden van vragen? Zijn deze problemen veroorzaakt door een recente verandering in zijn medicatie? Is hij onlangs gevallen of heeft hij een blaasinfectie gehad? Zijn er in de loop van de dag wisselingen in de alertheid?’ Als de symptomen gedurende de dag variëren en zich hebben ontwikkeld binnen een dag nadat bij de patiënt een infectie van de urinewegen is vastgesteld, kan de onderzoeker een delirium vermoeden. De onderzoeker beoordeelt ook de heer Hessels’ oriëntatie op de omgeving door hem te vragen: ‘Kunt u mij vertellen wat de datum is vandaag? Hoe heet de plek waar wij nu zijn? Hoe heet u? Hoe oud bent u?’ Als de heer Hessels zijn leeftijd en naam wel weet, maar de datum en de naam van de plaats waar hij zich bevindt niet, is hij gedesoriënteerd in tijd en plaats. De aandacht kan worden gemeten met behulp van een subtest van de Montreal Cognitive Assessment, zoals de cijferreeksen. De onderzoeker zegt dan: ‘Ik ga een aantal cijfers opnoemen en als ik klaar ben, moet u ze in dezelfde volgorde nazeggen als ik ze heb gezegd.’ Vervolgens leest hij een reeks van vijf cijfers voor, met een snelheid van één cijfer per seconde. Als de patiënt minder dan drie cijfers heeft onthouden, is zijn aandacht aangetast, wat een verdere indicatie is voor een delirium. Tot slot beoordeelt de onderzoeker de aanwezigheid van eventuele waarnemingsstoornissen door aan de heer Hessels te vragen of hij dingen ziet die anderen niet zien. Hij vraagt ook aan het familielid of de heer Hessels een voorgeschiedenis heeft van waarnemingsstoornissen, middelengebruik en somatische problemen.
Gezien het feit dat de prevalentie van deliriums het hoogst is onder mensen in de leeftijdscategorie van 85 jaar en ouder (14% per jaar), zou de gevorderde leeftijd van deze man en het snelle optreden van de verminderde aandacht een belangrijke reden moeten zijn voor het opnemen van een delirium in de differentiële diagnostiek. De heer Hessels heeft meer dan een dag geleden een snel en abrupt begin ervaren van verminderde aandacht (minder dan drie cijfers herhaald) en desoriëntatie (hij weet de datum niet en weet niet waar hij is), veroorzaakt door een vastgestelde infectie van de urinewegen. Zodoende voldoet hij aan de criteria voor een delirium. Zijn mate van bewustzijn en aandacht wisselden gedurende de dag, wat een verdere indicatie is voor een delirium. De heer Hessels ervoer ook voor het eerst visuele hallucinaties — hij had geen voorgeschiedenis met psychoses of perceptuele stoornissen — wat meestal eerder duidt op een neurologisch probleem of een delirium dan op een reeds bestaande stemmings- of psychotische stoornis. Aangezien een beperkte of uitgebreide NCS met lewylichaampjes kan lijken op een delirium, zal de onderzoeker het beloop en de aard van de visuele hallucinaties willen vaststellen. Bij een NCS met lewylichaampjes komen ook fluctuaties in de alertheid en de aandacht voor, evenals visuele hallucinaties. De korte duur en het snelle begin van de symptomen ondersteunen echter de classificatie delirium. Om andere somatische aandoeningen die mogelijk bijdragen aan de huidige problemen van deze patiënt uit te sluiten, kunnen een volledig somatisch onderzoek en een onderzoek van het medisch dossier gerechtvaardigd zijn.