Let op: deze informatie is gebaseerd op de DSM-5, maar ze is wel te gebruiken naast de DSM-5-TR.

Praktische tips voor de vorming van een therapeutische relatie tijdens een diagnostisch onderzoek

Abraham M. Nussbaum

Bij hun analyse van de manier waarop therapeutische consulten werken, ontdekten de auteurs van Persuasion and healing dat ‘effectiviteit eerst en vooral een kwaliteit van de therapeut is en niet van een bepaalde methode’ (Frank & Frank, 1991, p. 166). Deze opvatting vindt u misschien ontmoedigend als u een ideologische voorkeur heeft voor een bepaalde methode, maar u kunt het evengoed positief opvatten: als aanmoediging om uw vaardigheden als therapeut te cultiveren, want alle therapieën hebben met elkaar gemeen dat de therapeutische-relatievorming een kernvaardigheid is. Wie die vaardigheid vergroot, zal in elke vorm van psychotherapie beter slagen.

Uw vermogen om een therapeutische relatie te vormen, hangt ook af van de ervaringen van de patiënt voordat hij u ontmoet. Ontmoet u hem voor het eerst op de afdeling spoedeisende hulp, dan heeft hij misschien al uren of zelfs dagen zitten wachten voordat hij u eindelijk spreekt. Het consult kan daardoor stroef en ongemakkelijk verlopen. Maar ziet u hem voor het eerst in de spreekkamer van de huisarts bij wie hij al sinds jaar en dag patiënt is, dan is hij misschien juist rustig en vol vertrouwen. Dit gedrag is niet voor iedereen te voorspellen. De patiënt brengt zowel bewuste als onbewuste associaties mee naar het consult, zowel over de ont­moe­tingslo­ca­tie als over onze rol aldaar. Over die associaties hebben we geen controle, maar we kunnen er wel rekening mee houden. Voordat we iemand voor het eerst ontmoeten, kunnen we erachter zien te komen hoe hij op de betreffende plek terechtgekomen is, hoe lang hij heeft moeten wachten en wat hij hoopt dat het consult oplevert.

Vanaf het begin van het onderzoek kunnen we al beginnen met het vormen van een therapeutische relatie. Al voordat we ook maar iets hebben gezegd, kunnen we een aantal praktische stappen zetten. Door een omgeving te creëren waarin iemand zich veilig genoeg voelt om over intieme zaken te spreken, vergroten we impliciet zijn vertrouwen in de therapeut. Idealiter is er voor zowel de clinicus als de patiënt een gemakkelijk zittende stoel, die zodanig is neergezet dat ieder naar behoefte oogcontact kan maken of juist vermijden. Deze opstelling bevordert de conversatie. Door bij de patiënt te gaan zitten, zo is aangetoond, krijgt hij een betere indruk van de tijd die de clinicus aan hem besteedt (Johnson et al., 2008).

Aangezien we nooit weten hoe iemand op onze aanwezigheid zal reageren, is het een goed gebruik om zelf het dichtst bij de uitgang te gaan zitten, voor het geval we de ruimte snel moeten verlaten. Soms is de persoon zelfs te geagiteerd om rustig te blijven zitten. Daarom moet bij een eerste ontmoeting een aantal universele voor­zorgs­maat­re­ge­len voor het diagnostisch onderzoek worden genomen, die de veiligheid garanderen van patiënt, therapeut en medewerkers. Als een of meer medewerkers de patiënt naar de kamer hebben gebracht voordat de therapeut ernaartoe gaat, kan het nuttig zijn die medewerkers te vragen naar het gedrag en de emotionele toestand van de persoon, om na te gaan of het onderzoek veilig alleen af te nemen is. Weliswaar maakt dat laatste het makkelijker om de ver­trou­we­lijk­heid van het onderzoek te garanderen, maar wanneer de patiënt dermate van streek is dat de situatie onveilig is voor hemzelf of voor de clinicus, is het verstandig om de nodige professionele assistentie in te zetten. Gaat er inderdaad iemand mee naar binnen, dan dienen we als therapeut aan diegene uit te leggen wat het doel is van het consult voordat we de patiënt ontmoeten of aan het onderzoek beginnen.

Of we de patiënt nu met assistentie of alleen ontmoeten, in beide gevallen helpt nette kleding om een zekere mate van respect te tonen. Ook hebben veel clinici tissues bij de hand of een glas water, voor het geval iemand gaat huilen; dit soort kleine praktische attenties kan bemoedigend werken bij mensen met problemen (Yager, 1989).

Als we klaar zijn om te beginnen, starten we de conversatie met een mededeling die de therapeutische relatie bevordert. De clinicus kan eenvoudig zeggen: ‘Ik ben dokter Prater. Ik heb uw dossier gelezen en zou graag wat meer van uzelf horen. Hoe wilt u dat ik u aanspreek?’ Met deze korte mededeling communiceert hij zijn naam en hoe hij de ontmoeting heeft voorbereid, waarna hij de patiënt uitnodigt om zichzelf voor te stellen zoals die dat zelf wil. Zo’n openingszin geeft niet alleen aan dat we ons hebben voorbereid, maar ook dat we evengoed weten dat onze kennis beperkingen heeft. Idealiter geeft de patiënt vervolgens een coherent en volledig beeld van zijn actuele probleem en de relatie met eerdere ervaringen. Hoewel deze ideale situatie niet vaak voorkomt, zouden we aan het begin van een diagnostisch onderzoek altijd de eerste twee tot drie minuten naar de patiënt moeten luisteren, zoals wordt besproken in hoofdstuk 3.

Door actief te luisteren kunnen we de therapeutische relatie verder ontwikkelen, want daarmee maken we de patiënt duidelijk dat we respect hebben voor hem en voor zijn problemen. Tijdens het luisteren nemen we een neutrale maar betrokken houding aan die aandacht en zorgzaamheid uitdrukt zonder dat we meteen de interpretatie overnemen die de patiënt aan zijn verhaal geeft. We zijn betrokken bij de patiënt en zijn welzijn, niet bij zijn interpretatie van de gebeurtenissen. We moeten dan ook vermijden dat we te vroeg een standpunt innemen of oplossingen geven — ook al lijkt het misschien of we daarmee sneller een therapeutische relatie kunnen opbouwen — want vaak committeren we ons daardoor aan een interpretatie die bij verder uitdiepen van de informatie niet standhoudt.

In plaats daarvan kunnen we de therapeutische relatie verder uitbouwen door gebruik van non-verbale signalen zoals knikken, ge­zichts­uit­druk­kin­gen, toepasselijk oogcontact en andere tekenen van actief luisteren (Robertson, 2005). Sympathie uiten is weliswaar gepast, vooral wanneer de patiënt over een gebeurtenis vertelt die duidelijk emoties oproept, maar druk sympathie nooit uit in woorden als ‘Ik begrijp wat u doormaakt’, want we willen de aandacht op de patiënt gericht houden met wie we aan het praten zijn. In plaats daarvan kunt u, met uw ge­zichts­uit­druk­king en door zo nodig geruststelling te bieden, empathie tonen — dit is zowel een cognitieve handeling waarmee we aangeven te begrijpen dat iemand in nood is als een affectieve handeling waarmee we meedelen in zijn lijden (Davies, 2001). Als de patiënt bang is dat hij ‘het niet goed doet’, stel hem dan bondig gerust: ‘U doet het prima’ (Morrison & Muñoz, 2009). In een diagnostisch onderzoek willen we de patiënt empathie en warmte tonen door middel van actief luisteren en door een stijl te ontwikkelen die tegelijk hoffelijk, informeel en grondig is.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.