Het hoofdkenmerk van de afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis is een pervasieve en buitensporige behoefte om verzorgd te worden die leidt tot submissief en aanklampend gedrag en separatieangst. Dit patroon begint op jongvolwassen leeftijd en is in allerlei verschillende situaties aanwezig. De afhankelijke en onderworpen gedragingen hebben tot doel om verzorgend gedrag op te roepen en komen voort uit de overtuiging van de betrokkene dat hij of zij zonder de hulp van anderen niet adequaat kan functioneren.
Mensen met een afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis hebben grote moeite met het nemen van alledaagse beslissingen (bijvoorbeeld: wat voor kleur overhemd aantrekken, wel of niet een paraplu meenemen) zonder een buitensporige hoeveelheid advies en geruststelling van anderen (criterium 1). Ook hebben deze mensen de neiging zich passief op te stellen en andere mensen (vaak één andere persoon) het initiatief te laten nemen en de verantwoordelijkheid op zich te laten nemen voor de meeste belangrijke levensgebieden (criterium 2). Volwassenen met deze stoornis maken zich vaak afhankelijk van een van hun ouders of hun levenspartner voor beslissingen over waar ze moeten gaan wonen, wat voor soort baan ze moeten hebben, en met welke buren ze vriendschap kunnen sluiten. Adolescenten met deze stoornis kunnen hun ouders toestaan te beslissen wat voor kleding ze moeten dragen, met wie ze moeten omgaan, hoe ze hun vrije tijd moeten doorbrengen, en welke school of vervolgopleiding ze moeten kiezen. Deze behoefte om anderen verantwoordelijkheid te laten dragen gaat verder dan verzoeken om hulp die passend zijn voor de leeftijd en situatie (de specifieke behoeften van kinderen, ouderen en gehandicapten bijvoorbeeld). Ook iemand met een ernstige somatische aandoening of handicap kan een afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis hebben, maar de moeite met zelf verantwoordelijkheid nemen moet dan verder gaan dan hetgeen gezien de aandoening of handicap kan worden verwacht.
Vanwege hun angst om steun of goedkeuring te verliezen hebben mensen met een afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis er vaak moeite mee om te laten blijken dat ze het niet eens zijn met anderen, vooral als de ander iemand is van wie ze afhankelijk zijn (criterium 3). Deze mensen zijn er zo sterk van overtuigd dat zij niet zelfstandig kunnen functioneren dat ze zelfs bereid zijn om in te stemmen met zaken die voor hun gevoel niet deugen, liever dan het risico te lopen om geen hulp meer te krijgen van degenen op wie zij leunen. Ze laten geen boosheid zien naar de mensen van wie ze steun en verzorging nodig hebben. Maar in situaties waarin het wel realistisch is om bezorgd te zijn over wat er kan gebeuren als de betrokkene laat merken het niet met een ander eens te zijn (zoals bij de angst om afgestraft te worden door een mishandelende echtgenoot), moet dit gedrag niet worden beschouwd als een uiting van de afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis.
Mensen met deze stoornis hebben er moeite mee om zelfstandig met een project te beginnen of zelfstandig dingen te doen (criterium 4). Het ontbreekt hun aan zelfvertrouwen, en ze menen hulp nodig te hebben om met hun taken te kunnen beginnen en deze te volbrengen. Aangezien ze van mening zijn dat anderen dingen standaard beter kunnen, wachten ze af tot anderen het initiatief nemen. Deze mensen zijn ervan overtuigd dat ze niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren; ze doen zichzelf voor als onbekwaam en als iemand die constant hulp nodig heeft. Aan de andere kant kunnen ze in veel gevallen wel adequaat functioneren zolang ze er zeker van zijn dat iemand anders hen coacht en geruststelt. Competenter worden of op anderen zo overkomen kan voor deze mensen beangstigend zijn, omdat ze kunnen verwachten dat dit tot een verlies van steun zal leiden. Aangezien ze voor het oplossen van hun problemen op anderen rekenen, leren ze de vaardigheden die horen bij zelfstandig leven vaak niet aan, en houden ze daardoor hun afhankelijkheid in stand.
Mensen met een afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis kunnen heel ver gaan om zich te verzekeren van de zorg en steun van anderen, zo ver zelfs dat ze uit zichzelf aanbieden om onplezierige taken uit te voeren wanneer dit de zorg oplevert die ze nodig hebben (criterium 5). Ze zijn bereid om mee te gaan in wat anderen willen, zelfs als de eisen van de ander onredelijk zijn. Hun behoefte om een voor hen belangrijk contact in stand te houden resulteert vaak in onevenwichtige of verstoorde relaties. Ze kunnen zich in extreme mate opofferen of tolereren dat ze verbaal, lichamelijk of seksueel worden mishandeld. ( NB Dit gedrag moet alleen als een aanwijzing voor de afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis worden opgevat als duidelijk kan worden aangetoond dat de betrokkene andere mogelijkheden heeft.) Mensen met deze stoornis voelen zich als ze alleen zijn niet op hun gemak of hulpeloos, vanwege hun overmatige angst om niet voor zichzelf te kunnen zorgen (criterium 6).
Als een hechte relatie eindigt (een liefdesrelatie die stukloopt; het overlijden van een verzorger), kunnen mensen met een afhankelijke-persoonlijkheidsstoornis een sterke drang hebben om op zoek te gaan naar een andere relatie die zal voorzien in de zorg en steun die ze nodig hebben (criterium 7). Hun overtuiging dat ze niet in staat zijn om te functioneren in afwezigheid van een hechte relatie motiveert deze mensen om zich snel aan iemand anders te hechten en daarbij niet kieskeurig te zijn. Mensen met deze stoornis zijn vaak gepreoccupeerd bezig met de angst alleen achter te blijven en voor zichzelf te moeten zorgen (criterium 8). Ze beschouwen zichzelf als zo totaal afhankelijk van het advies en de hulp van een belangrijke ander dat ze zich zorgen maken dat de ander hen niet langer zal ondersteunen, ook als hier geen aanleiding voor is. Om als bevestiging voor dit criterium te worden beschouwd, moet die angst buitensporig en onrealistisch zijn. Ter vergelijking: een oudere man met kanker die bij zijn zoon intrekt voor zijn verzorging vertoont afhankelijk gedrag dat past bij zijn levensomstandigheden.