Het hoofdkenmerk van opioïdeonttrekking is een karakteristiek onttrekkingssyndroom dat direct na het staken (of de vermindering) van een langdurig gebruik van opioïden ontstaat (criterium A1). De gebruikte opioïden kunnen illegaal zijn, of het kunnen legaal verkregen middelen zijn die als geneesmiddel zijn voorgeschreven tegen pijn. Na een periode met gebruik van een opioïde, kan het onttrekkingssyndroom ook worden geprecipiteerd door een opioïdeantagonist (naloxon, naltrexon of nalmefeen) toe te dienen (criterium A2); dit kan ook gebeuren na het toedienen van een partiële agonist (zoals buprenorfine) aan iemand die actueel een volledige opioïdeagonist gebruikt.
Een onttrekkingssyndroom van een opioïde heeft een kenmerkend patroon van klachten en verschijnselen. De eerste effecten zijn subjectief en bestaan uit klachten als angst, rusteloosheid en een ‘pijnlijk gevoel’ dat vaak in de rug en benen wordt gevoeld, met prikkelbaarheid en een verhoogde pijngevoeligheid. Minstens drie van de volgende symptomen moeten aanwezig zijn om de classificatie onttrekkingssyndroom van een opioïde te mogen toekennen: dysfore stemming; misselijkheid of braken; spierpijn; lacrimatie (tranenvloed) of rinorroe (loopneus); pupilverwijding, pilo-erectie (kippenvel) of toegenomen transpiratie; diarree; gapen; koorts; en insomnia (criterium B). Pilo-erectie en koorts hangen samen met een ernstiger onttrekkingssyndroom. Deze symptomen doen zich in de gewone klinische praktijk zelden voor, aangezien mensen met een stoornis in het gebruik van een opioïde meestal al middelen hebben bemachtigd voordat de onttrekking zo ver is gevorderd. Deze symptomen bij opioïdeonttrekking moeten klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium C). De symptomen mogen niet zijn toe te schrijven aan een somatische aandoening en kunnen niet beter door een andere psychische stoornis worden verklaard (criterium D). Voor het toekennen van de classificatie stoornis in het gebruik van een opioïde is het hebben van symptomen die voldoen aan de criteria voor een onttrekkingssyndroom van een opioïde niet genoeg, maar wanneer daarnaast sprake is van symptomen als hunkering en drangmatig op zoek gaan naar het middel, wijst dat wel op een comorbide stoornis in het gebruik van een opioïde.