In de eerste levensmaanden van kinderen die de classificatie ontremd-sociaalcontactstoornis toegekend hebben gekregen, is er vaak sprake van omstandigheden van sociale verwaarlozing, zelfs nog voor de stoornis is vastgesteld.
Zoals is beschreven bij kinderen met een voorgeschiedenis van opname in een zorginstelling, zijn de klinische kenmerken van de stoornis in de loop van de tijd redelijk stabiel wanneer de verwaarlozing vroeg plaatsvindt en zich verschijnselen van de stoornis gaan voordoen, vooral als de omstandigheden waarin de verwaarlozing plaatsvindt aanhouden.
Verschijnselen van de ontremd-sociaalcontactstoornis zijn bij kinderen die in zorginstellingen opgroeien beschreven vanaf het 2de levensjaar tot in de adolescentie, zelfs tot op jongvolwassen leeftijd. De stoornis kan zich in de loop van de ontwikkeling van de (vroege) kindertijd tot later in het leven enigszins anders manifesteren. In veel culturen zijn de jongste kinderen doorgaans terughoudend in hun omgang met vreemden, wat niet pathologisch is, zelfs wanneer zij in een zorginstelling of pleeggezin opgroeien. Jonge kinderen met de stoornis vertonen echter geen terughoudendheid bij toenadering en gaan zonder schroom met onbekende volwassenen om en gaan zelfs met hen mee, zoals is aangetoond in onderzoeken onder kinderen die in een zorginstelling opgenomen zijn geweest. Bij kinderen van de voorschoolse leeftijd die in zorginstellingen in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten zijn opgegroeid, staan verbale en sociale opdringerigheid het meest op de voorgrond, vaak gepaard gaand met aandachtvragend gedrag. Kinderen van de voorschoolse leeftijd die in diverse andere landen in zorginstellingen zijn opgegroeid vertoonden een patroon waarin zij fysiek contact aangingen met vreemden. Grote verbale en lichamelijke vrijpostigheid hielden ook aan in het midden van de kindertijd, soms gepaard gaand met onechte emotionele uitingen. In de adolescentie kan het niet-onderscheidende gedrag zich uitbreiden naar leeftijdgenoten. Vergeleken met gezonde adolescenten hebben adolescenten met de stoornis meer ‘oppervlakkige’ relaties en conflicten met leeftijdgenoten. Gevallen van de stoornis bij volwassenen zijn mogelijk vergelijkbaar, maar hierbij is mogelijk ook sprake van te veel zelfbekentenissen en verminderde terughoudendheid tegenover onbekenden.