F94.2
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen gedragspatroon waarbij een kind actief onbekende volwassenen benadert en met hen omgaat, en minstens twee van de volgende kenmerken vertoont:
1Vermindering of ontbreken van terughoudendheid in het benaderen van en omgaan met onbekende volwassenen.
2Excessief familiair verbaal of lichamelijk gedrag (dat niet strookt met cultureel aanvaarde en bij de leeftijd passende sociale grenzen).
3Verminderd of geheel niet in de gaten houden van de volwassen verzorger als het kind zich wat verder weg waagt, zelfs in een onbekende omgeving.
Dit criterium vereist dat er ‘een patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging’ aanwezig is, zoals blijkt uit minstens één van de volgende drie opvoedpatronen: veronachtzaming van de behoeften van het kind aan vertroosting, aanmoediging en affectie; herhaaldelijk wisselen van primaire verzorgers; en opgroeien in ongebruikelijke omgevingen die de mogelijkheden voor selectieve hechting ernstig beperken, zoals instellingen met veel kinderen per verzorger. Deze ‘ontoereikende verzorging’ is opgenomen (vergelijkbaar met criterium C in de DSM-IV voor het ontremde type van de reactieve hechtingsstoornis) om de belangrijke reden dat kinderen die voldoende zorg ontvangen maar een deletie van chromosoom 7 (syndroom van Williams) hebben, gedrag vertonen dat fenotypisch vergelijkbaar is met dat van kinderen met een ontremd-sociaalcontactstoornis. Het begrip ‘ontoereikende verzorging’ is op dezelfde manier beschreven als bij de reactieve hechtingsstoornis, omdat er geen aanwijzingen zijn dat bepaalde typen pathogene zorg eerder tot een reactieve hechtingsstoornis leiden dan tot een ontremd-sociaalcontactstoornis, of andersom.
4Bereidheid om met minimale aarzeling of zonder enige aarzeling mee te gaan met een onbekende volwassene.
Dit criterium legt meer de nadruk op afwijkend sociaal gedrag dan op verstoord hechtingsgedrag. De classificatie vereist dat er twee of meer van de vier voorbeelden van ontremd gedrag aanwezig moeten zijn. Deze voorbeelden zijn verminderde (of ontbrekende) terughoudendheid in het benaderen van en omgaan met onbekende volwassenen; overmatig familiair verbaal of lichamelijk gedrag; verminderd of geheel niet in de gaten houden van de verzorger; en de bereidheid om mee te gaan met een onbekende volwassene. Deze vormen van gedrag worden in veel culturen als afwijkend gezien; een kind zou meestal overstuur raken in deze situaties. De elementen van het criterium zijn gebaseerd op empirische gegevens uit onderzoek naar het concept.
BHet gedrag in criterium A is niet beperkt tot impulsiviteit (zoals bij de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis), maar betreft sociaal ontremd gedrag.
Gezien de verschillende aanwijzingen dat ADHD-verschijnselen gelijktijdig kunnen optreden met de sociale impulsiviteit die het aselectieve sociale gedrag/ontremde fenotype kenmerkt, wordt dit criterium noodzakelijk geacht. Vanwege die comorbiditeit is het van belang dat het gedrag niet kan worden uitgelegd als een gevolg van de impulsiviteit die meestal gezien wordt bij kinderen met ADHD. ADHD kan voorkomen met aselectief sociaal gedrag en dit gedrag kan voorkomen zonder ADHD, maar vaak zijn er matig sterke correlaties tussen de beide symptoomprofielen. In plaats van van ADHD een uitsluitingscriterium te maken voor de ontremd-sociaalcontactstoornis, lijkt het nuttiger om de aandacht te vestigen op de duidelijke verschillen tussen deze stoornis en ADHD.
CHet kind heeft een patroon van extreme vormen van ontoereikende verzorging meegemaakt, zoals blijkt uit minstens één van de volgende kenmerken:
1Sociale verwaarlozing of deprivatie waarbij emotionele basisbehoeften aan vertroosting, aanmoediging en affectie persisterend door volwassen verzorgers worden veronachtzaamd.
2Herhaaldelijk wisselen van primaire verzorgers, wat het vormen van stabiele hechtingsrelaties beperkt (zoals frequente veranderingen in de pleegzorg).
3Opgroeien in ongebruikelijke omgevingen, wat het vormen van selectieve hechtingsrelaties ernstig beperkt (zoals instellingen met veel kinderen per verzorger).
DEr zijn redenen om te veronderstellen dat de verzorging genoemd in criterium C verantwoordelijk is voor het gestoorde gedrag uit criterium A (de gedragsproblemen in criterium A zijn bijvoorbeeld begonnen na de pathogene verzorging in criterium C).
Dit criterium is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV, om dezelfde reden als bij de reactieve hechtingsstoornis: verondersteld wordt dat de context van pathogene zorg zoals beschreven in criterium C verantwoordelijk is voor het verstoorde gedrag van het kind.
EHet kind heeft een ontwikkelingsniveau van minstens 9 maanden.
Het vereiste dat het kind een ontwikkelingsleeftijd van 9 maanden moet hebben bereikt, dient hetzelfde doel als in criterium G voor de reactieve hechtingsstoornis.
→Specificeer indien:
Persisterend De stoornis is meer dan een jaar aanwezig geweest.
→Specificeer actuele ernst:
De ontremd-sociaalcontactstoornis krijgt de specificatie ‘ernstig’ als een kind alle symptomen van de stoornis vertoont, waarbij elk symptoom zich op een relatief hoog niveau manifesteert.