Genetica en fysiologie De mate van erfelijkheid van zwaar cafeïnegebruik, cafeïnetolerantie en het cafeïneonttrekkingssyndroom loopt uiteen van 35 tot 77%. Bij cafeïnegebruik, alcoholgebruik en het roken van sigaretten is er een onderliggende gemeenschappelijke genetische factor (polymiddelengebruik) voor het gebruik van deze drie middelen, waarvan 28–41% van de erfelijkheid van cafeïnegebruik (of zwaar gebruik) comorbide is met alcohol en roken. Het gebruik van cafeïne en tabak, en de bijbehorende stoornissen in het gebruik, hebben een samenhang met en worden grotendeels beïnvloed door genetische factoren die uniek zijn voor deze legale middelen. De mate waarin de erfelijkheid van belang is voor de diagnostische markers voor de stoornis in het gebruik van cafeïne, blijkt gelijk te zijn aan die van de markers voor stoornissen in het gebruik van alcohol en tabak.