De kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis worden gewoonlijk manifest tijdens de adolescentie of op jongvolwassen leeftijd. Een persoonlijkheidsstoornis omvat per definitie een duurzaam patroon van denken, voelen en handelen dat relatief stabiel is in de tijd. Sommige typen persoonlijkheidsstoornissen (vooral de antisociale- en de borderline-persoonlijkheidsstoornis) worden met het toenemen van de leeftijd minder manifest of gaan volledig in remissie, voor sommige andere typen geldt dit minder (bijvoorbeeld voor de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis).
Classificaties uit de categorie persoonlijkheidsstoornissen kunnen aan kinderen en adolescenten worden toegekend in die relatief weinig voorkomende gevallen waarin de specifieke maladaptieve persoonlijkheidstrekken van de betrokkene op een breed terrein van situaties blijvend aanwezig zijn en het onwaarschijnlijk is dat ze zich beperken tot een specifieke ontwikkelingsfase of alleen toe te schrijven zijn aan een andere psychische stoornis. De clinicus dient zich ervan bewust te zijn dat de kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis die tijdens de kinderjaren verschijnen, vaak niet onveranderd persisteren tot in de volwassen leeftijd. Iemand die jonger is dan 18 jaar krijgt geen classificatie van een persoonlijkheidsstoornis toegekend als de kenmerken niet al minstens één jaar aanwezig zijn. De enige uitzondering hierop is de antisociale-persoonlijkheidsstoornis, die niet kan worden toegekend aan kinderen onder de 18 jaar. Hoewel een persoonlijkheidsstoornis per definitie vereist dat de stoornis niet later dan op jongvolwassen leeftijd is ontstaan, kan het voorkomen dat iemand pas op relatief late leeftijd door een behandelaar wordt gezien. Een persoonlijkheidsstoornis kan verergeren na het verlies van belangrijke steunende personen (zoals de partner) of een verandering in omstandigheden die de betrokkene tot dan toe stabiel hielden (zoals een baan). Dat neemt niet weg dat het ontstaan van een persoonlijkheidsverandering op middelbare of latere leeftijd een signaal is dat er goed moet worden onderzocht of er geen sprake is van een persoonlijkheidsverandering als gevolg van een somatische aandoening of een nog niet herkende stoornis in het gebruik van een middel.