Per­soon­lijk­heids­trek­ken zijn duurzame patronen van het waarnemen van, omgaan met en denken over de omgeving en zichzelf, die in een breed scala van sociale en persoonlijke contexten worden getoond. Van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis is alleen sprake als die per­soon­lijk­heids­trek­ken inflexibel en maladaptief zijn en significante beperkingen in het functioneren veroorzaken, of lijdensdruk. Het hoofdkenmerk van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van de normen en van wat wordt verwacht in de cultuur van de betrokkene en dat zichtbaar wordt in minstens twee van de volgende domeinen: cognities, affectiviteit, in­ter­per­soon­lijk functioneren of im­puls­be­heer­sing (criterium A). Dit duurzame patroon is hardnekkig en is aanwezig in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties (criterium B) en veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren op sociaal, beroepsmatig of een ander belangrijk terrein (criterium C). Het patroon is stabiel en van lange duur, en het ontstaan ervan kan worden teruggevoerd tot op zijn laatst de adolescentie of de jongvolwassen leeftijd (criterium D). Het patroon wordt niet beter verklaard als een uiting of gevolg van een andere psychische stoornis (criterium E), en kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals drugs, medicatie, blootstelling aan een giftige stof) of aan een somatische aandoening (zoals een schedeltrauma) (criterium F). Voor elk van de in dit hoofdstuk opgenomen per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen worden verder ook specifieke criteria gegeven.

Voor het toekennen van een classificatie per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet er een onderzoek plaatsvinden naar de patronen in het functioneren van de betrokkene op langere termijn, en de specifieke per­soon­lijk­heids­ken­mer­ken moeten op zijn laatst op jongvolwassen leeftijd zichtbaar zijn geworden. Verder moeten de per­soon­lijk­heids­trek­ken die deze per­soon­lijk­heids­stoor­nis definiëren, worden onderscheiden van kenmerken die optreden als reactie op specifieke situationele stressoren of psychische ontregelingen van meer voorbijgaande aard (zoals bij depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen of angst­stoor­nis­sen; intoxicatie door een middel). De clinicus moet dan onderzoeken hoe het is gesteld met de stabiliteit van de per­soon­lijk­heids­trek­ken in de loop van de tijd en in verschillende situaties. Soms volstaat één enkel onderzoek van de betrokkene om de classificatie te kunnen toekennen, maar vaker is het noodzakelijk om meer dan één onderzoek te verrichten met voldoende tijd ertussen. Het diagnostische onderzoek kan verder nog worden gecompliceerd door het feit dat de kenmerken die een per­soon­lijk­heids­stoor­nis definiëren, door de betrokkene zelf mogelijk niet als problematisch worden beschouwd (deze kenmerken zijn vaak egosyntoon). Dit probleem kan mogelijk worden opgelost door een heteroanamnese op te nemen van andere informanten.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.