CRITERIA
AEen duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat duidelijk afwijkt van wat binnen de cultuur van de betrokkene wordt verwacht. Dit patroon komt op twee (of meer) van de volgende terreinen tot uiting:
1Cognities (manieren van waarnemen en interpreteren van zichzelf, andere mensen en gebeurtenissen).
2Affectiviteit (de variëteit, intensiteit, labiliteit en adequaatheid van de emotionele reacties).
3Interpersoonlijk functioneren.
4Impulsbeheersing.
Dit criterium zorgt ervoor dat het ‘patroon van innerlijke ervaringen’ voldoet aan een aantal voorwaarden. Ten eerste dient het patroon duurzaam en niet voorbijgaand van aard te zijn. Als het recent is ontstaan of van voorbijgaande aard is, moet het goed toe te schrijven zijn aan een andere psychische stoornis of een somatische aandoening. Ten tweede dient het patroon ‘aanzienlijk’ af te wijken van wat binnen de cultuur van de betrokkene wordt verwacht. Dit is een noodzakelijk en belangrijk onderscheid, omdat in de ene cultuur individuele uitingen aangemoedigd of getolereerd worden die in de andere cultuur niet acceptabel zijn. In sommige niet-westerse samenlevingen bijvoorbeeld, worden de concepten bezetenheid en magische ervaringen hogelijk gewaardeerd; in westerse samenlevingen echter kan aan de hand van deze symptomen een cluster A-persoonlijkheidsstoornis (bijvoorbeeld een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis) worden toegekend.
Het patroon moet tot uiting komen op twee of meer van de volgende vier terreinen: cognities, affectiviteit, interpersoonlijk functioneren en impulsbeheersing. Dit vereiste betekent dat de symptomen of het gedrag van de betrokkene zich niet beperken tot een enkel domein. De meeste mensen die aan de criteria voor een persoonlijkheidsstoornis voldoen, hebben kenmerken uit meerdere symptoomdomeinen. Bijvoorbeeld iemand met een borderline-persoonlijkheidsstoornis kan moeite hebben met het onderhouden van stabiele relaties, extreme moeite hebben met het reguleren van zijn of haar emoties, een slechte impulsbeheersing hebben, en zichzelf beschadigen.
BHet duurzame patroon is inflexibel en komt tot uiting in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties.
Deze criteria zorgen ervoor dat het patroon tot uiting komt ‘in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties’, beperkingen veroorzaakt, en stabiel en duurzaam is. Kortom, de persoonlijkheidsproblemen beperken zich niet tot een enkel domein van het functioneren, maar hebben invloed op de meeste levensdomeinen (thuis, op school of op het werk). De betrokkene kan bijvoorbeeld niet alleen moeite hebben met de omgang met zijn of haar directe familie, maar ook met collega’s, vrienden en bekenden, en zelfs met vreemden. Zoals te verwachten is, zijn deze problemen verwarrend en verontrustend voor de betrokkenen, zelfs als zij zich niet bewust zijn van hun eigen rol bij het creëren van de moeilijkheden voor zichzelf. Hun persoonlijkheidsstoornis kan een barrière zijn voor de vorming of het behoud van stabiele relaties, en kan bijdragen aan het verlies van hun baan en aan een algeheel gevoel van onvrede. Zoals bij de meeste psychische stoornissen is er een continuüm van beperkingen. Aan het uiteinde met de ernstigste vormen is de betrokkene mogelijk niet in staat om zonder hulp te functioneren, vanwege een bijna constante zelfbeschadiging (borderline-persoonlijkheidsstoornis) of als gevolg van ongecontroleerd crimineel gedrag dat leidt tot opsluiting (antisociale-persoonlijkheidsstoornis). Aan het uiteinde met de lichtere vormen kan een betrokkene goed functioneren op de werkvloer, maar niet in staat zijn om romantische relaties te onderhouden vanwege zijn of haar starheid en koppigheid (dwang-matige-persoonlijkheidsstoornis).
Criterium D vereist dat het patroon stabiel en van lange duur is. Een persoonlijkheidsstoornis wordt niet als kortdurend of voorbijgaand beschouwd. Aan dit vereiste wordt door de meeste mensen met een persoonlijkheidsstoornis voldaan die zich in de late adolescentie of vroege volwassenheid al duidelijk heeft gemanifesteerd. De stoornis van mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis kent een nog eerder begin, met gedragsproblemen die voor de leeftijd van 15 jaar zijn begonnen (en die dan als een normoverschrijdend-gedragsstoornis worden geclassificeerd). In het algemeen nemen persoonlijkheidsstoornissen in ernst af (of ‘doven uit’) naarmate de betrokkenen ouder worden. Longitudinale studies hebben bijvoorbeeld aangetoond dat mensen met een antisociale- of borderline-persoonlijkheidsstoornis na verloop van tijd steeds minder symptomen hebben. Bij follow-uponderzoeken voldoen velen niet langer volledig aan de classificatiecriteria, maar er kunnen niettemin symptomen blijven bestaan die tot beperkingen in het functioneren leiden. Dit geldt in mindere mate voor andere typen persoonlijkheidsstoornissen, zoals de dwangmatige- en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis. De problemen die samenhangen met persoonlijkheidsstoornissen zijn doorgaans het ernstigst tijdens de formatieve periode van iemands leven, wanneer de meeste mensen hun opleiding voltooien, een carrière starten, trouwen en een gezin stichten. Hierdoor halen veel mensen met een persoonlijkheidsstoornis, zelfs wanneer hun beeld is verbeterd, nooit de educatieve, sociale of economische achterstand in die zij in vergelijking met leeftijdgenoten zonder persoonlijkheidsstoornis hebben opgebouwd.
CHet duurzame patroon veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Deze criteria zorgen ervoor dat het patroon tot uiting komt ‘in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties’, beperkingen veroorzaakt, en stabiel en duurzaam is. Kortom, de persoonlijkheidsproblemen beperken zich niet tot een enkel domein van het functioneren, maar hebben invloed op de meeste levensdomeinen (thuis, op school of op het werk). De betrokkene kan bijvoorbeeld niet alleen moeite hebben met de omgang met zijn of haar directe familie, maar ook met collega’s, vrienden en bekenden, en zelfs met vreemden. Zoals te verwachten is, zijn deze problemen verwarrend en verontrustend voor de betrokkenen, zelfs als zij zich niet bewust zijn van hun eigen rol bij het creëren van de moeilijkheden voor zichzelf. Hun persoonlijkheidsstoornis kan een barrière zijn voor de vorming of het behoud van stabiele relaties, en kan bijdragen aan het verlies van hun baan en aan een algeheel gevoel van onvrede. Zoals bij de meeste psychische stoornissen is er een continuüm van beperkingen. Aan het uiteinde met de ernstigste vormen is de betrokkene mogelijk niet in staat om zonder hulp te functioneren, vanwege een bijna constante zelfbeschadiging (borderline-persoonlijkheidsstoornis) of als gevolg van ongecontroleerd crimineel gedrag dat leidt tot opsluiting (antisociale-persoonlijkheidsstoornis). Aan het uiteinde met de lichtere vormen kan een betrokkene goed functioneren op de werkvloer, maar niet in staat zijn om romantische relaties te onderhouden vanwege zijn of haar starheid en koppigheid (dwang-matige-persoonlijkheidsstoornis).
Criterium D vereist dat het patroon stabiel en van lange duur is. Een persoonlijkheidsstoornis wordt niet als kortdurend of voorbijgaand beschouwd. Aan dit vereiste wordt door de meeste mensen met een persoonlijkheidsstoornis voldaan die zich in de late adolescentie of vroege volwassenheid al duidelijk heeft gemanifesteerd. De stoornis van mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis kent een nog eerder begin, met gedragsproblemen die voor de leeftijd van 15 jaar zijn begonnen (en die dan als een normoverschrijdend-gedragsstoornis worden geclassificeerd). In het algemeen nemen persoonlijkheidsstoornissen in ernst af (of ‘doven uit’) naarmate de betrokkenen ouder worden. Longitudinale studies hebben bijvoorbeeld aangetoond dat mensen met een antisociale- of borderline-persoonlijkheidsstoornis na verloop van tijd steeds minder symptomen hebben. Bij follow-uponderzoeken voldoen velen niet langer volledig aan de classificatiecriteria, maar er kunnen niettemin symptomen blijven bestaan die tot beperkingen in het functioneren leiden. Dit geldt in mindere mate voor andere typen persoonlijkheidsstoornissen, zoals de dwangmatige- en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis. De problemen die samenhangen met persoonlijkheidsstoornissen zijn doorgaans het ernstigst tijdens de formatieve periode van iemands leven, wanneer de meeste mensen hun opleiding voltooien, een carrière starten, trouwen en een gezin stichten. Hierdoor halen veel mensen met een persoonlijkheidsstoornis, zelfs wanneer hun beeld is verbeterd, nooit de educatieve, sociale of economische achterstand in die zij in vergelijking met leeftijdgenoten zonder persoonlijkheidsstoornis hebben opgebouwd.
DHet patroon is stabiel en van lange duur, en het begin ervan kan worden herleid tot op zijn laatst de adolescentie of de jongvolwassen leeftijd.
Deze criteria zorgen ervoor dat het patroon tot uiting komt ‘in een breed scala van persoonlijke en sociale situaties’, beperkingen veroorzaakt, en stabiel en duurzaam is. Kortom, de persoonlijkheidsproblemen beperken zich niet tot een enkel domein van het functioneren, maar hebben invloed op de meeste levensdomeinen (thuis, op school of op het werk). De betrokkene kan bijvoorbeeld niet alleen moeite hebben met de omgang met zijn of haar directe familie, maar ook met collega’s, vrienden en bekenden, en zelfs met vreemden. Zoals te verwachten is, zijn deze problemen verwarrend en verontrustend voor de betrokkenen, zelfs als zij zich niet bewust zijn van hun eigen rol bij het creëren van de moeilijkheden voor zichzelf. Hun persoonlijkheidsstoornis kan een barrière zijn voor de vorming of het behoud van stabiele relaties, en kan bijdragen aan het verlies van hun baan en aan een algeheel gevoel van onvrede. Zoals bij de meeste psychische stoornissen is er een continuüm van beperkingen. Aan het uiteinde met de ernstigste vormen is de betrokkene mogelijk niet in staat om zonder hulp te functioneren, vanwege een bijna constante zelfbeschadiging (borderline-persoonlijkheidsstoornis) of als gevolg van ongecontroleerd crimineel gedrag dat leidt tot opsluiting (antisociale-persoonlijkheidsstoornis). Aan het uiteinde met de lichtere vormen kan een betrokkene goed functioneren op de werkvloer, maar niet in staat zijn om romantische relaties te onderhouden vanwege zijn of haar starheid en koppigheid (dwang-matige-persoonlijkheidsstoornis).
Criterium D vereist dat het patroon stabiel en van lange duur is. Een persoonlijkheidsstoornis wordt niet als kortdurend of voorbijgaand beschouwd. Aan dit vereiste wordt door de meeste mensen met een persoonlijkheidsstoornis voldaan die zich in de late adolescentie of vroege volwassenheid al duidelijk heeft gemanifesteerd. De stoornis van mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis kent een nog eerder begin, met gedragsproblemen die voor de leeftijd van 15 jaar zijn begonnen (en die dan als een normoverschrijdend-gedragsstoornis worden geclassificeerd). In het algemeen nemen persoonlijkheidsstoornissen in ernst af (of ‘doven uit’) naarmate de betrokkenen ouder worden. Longitudinale studies hebben bijvoorbeeld aangetoond dat mensen met een antisociale- of borderline-persoonlijkheidsstoornis na verloop van tijd steeds minder symptomen hebben. Bij follow-uponderzoeken voldoen velen niet langer volledig aan de classificatiecriteria, maar er kunnen niettemin symptomen blijven bestaan die tot beperkingen in het functioneren leiden. Dit geldt in mindere mate voor andere typen persoonlijkheidsstoornissen, zoals de dwangmatige- en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis. De problemen die samenhangen met persoonlijkheidsstoornissen zijn doorgaans het ernstigst tijdens de formatieve periode van iemands leven, wanneer de meeste mensen hun opleiding voltooien, een carrière starten, trouwen en een gezin stichten. Hierdoor halen veel mensen met een persoonlijkheidsstoornis, zelfs wanneer hun beeld is verbeterd, nooit de educatieve, sociale of economische achterstand in die zij in vergelijking met leeftijdgenoten zonder persoonlijkheidsstoornis hebben opgebouwd.
EHet duurzame patroon kan niet beter worden verklaard als een uiting of gevolg van een andere psychische stoornis.
Dit zijn uitsluitingscriteria die zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat de clinicus andere mogelijke oorzaken voor de persoonlijkheidsstoornis uitsluit. Andere psychische stoornissen kunnen veranderingen in de persoonlijkheid veroorzaken. In de beginfase van schizofrenie bijvoorbeeld, kunnen betrokkenen symptomen ontwikkelen die lijken op symptomen die vaak toegeschreven worden aan een persoonlijkheidsstoornis, zoals sociale terugtrekking, magisch denken, impulsieve handelingen of lichte achterdocht, terwijl er geen sprake is van manifeste hallucinaties en wanen. Iemand met een depressieve stoornis kan zich sociaal terugtrekken, een gering gevoel van eigenwaarde en gebrek aan zelfvertrouwen ontwikkelen, en afhankelijk worden van anderen, zelfs bij eenvoudige beslissingen. Deze trekken dienen toegeschreven te worden aan de depressieve stoornis, tenzij ze duidelijk zijn voorafgegaan aan het ontstaan van de depressiviteit en deel uitmaken van een duurzaam patroon van ervaringen en gedrag. Somatische aandoeningen moeten echter eveneens worden uitgesloten als oorzaak van het persoonlijkheidspatroon. Mensen die excessief gebruikmaken van alcohol of andere middelen kunnen symptomen ontwikkelen die lijken op die van een persoonlijkheidsstoornis, bijvoorbeeld wanneer het op zoek zijn naar drugs leidt tot onverantwoordelijk gedrag, liegen of het plegen van misdaden, of apathisch, wispelturig of impulsief gedrag. Hersenletsel, zoals veroorzaakt door tumoren of een beroerte, draagt mogelijk bij aan de ontwikkeling van emotionele labiliteit, impulsief gedrag, achterdocht of apathie.
FHet duurzame patroon kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening (zoals een schedeltrauma).
Dit zijn uitsluitingscriteria die zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat de clinicus andere mogelijke oorzaken voor de persoonlijkheidsstoornis uitsluit. Andere psychische stoornissen kunnen veranderingen in de persoonlijkheid veroorzaken. In de beginfase van schizofrenie bijvoorbeeld, kunnen betrokkenen symptomen ontwikkelen die lijken op symptomen die vaak toegeschreven worden aan een persoonlijkheidsstoornis, zoals sociale terugtrekking, magisch denken, impulsieve handelingen of lichte achterdocht, terwijl er geen sprake is van manifeste hallucinaties en wanen. Iemand met een depressieve stoornis kan zich sociaal terugtrekken, een gering gevoel van eigenwaarde en gebrek aan zelfvertrouwen ontwikkelen, en afhankelijk worden van anderen, zelfs bij eenvoudige beslissingen. Deze trekken dienen toegeschreven te worden aan de depressieve stoornis, tenzij ze duidelijk zijn voorafgegaan aan het ontstaan van de depressiviteit en deel uitmaken van een duurzaam patroon van ervaringen en gedrag. Somatische aandoeningen moeten echter eveneens worden uitgesloten als oorzaak van het persoonlijkheidspatroon. Mensen die excessief gebruikmaken van alcohol of andere middelen kunnen symptomen ontwikkelen die lijken op die van een persoonlijkheidsstoornis, bijvoorbeeld wanneer het op zoek zijn naar drugs leidt tot onverantwoordelijk gedrag, liegen of het plegen van misdaden, of apathisch, wispelturig of impulsief gedrag. Hersenletsel, zoals veroorzaakt door tumoren of een beroerte, draagt mogelijk bij aan de ontwikkeling van emotionele labiliteit, impulsief gedrag, achterdocht of apathie.