Het voornaamste kenmerk van de ex­co­ri­a­tie­stoor­nis (huid­pulk­stoor­nis) is het herhaald pulken aan de eigen huid (criterium A). De meest voorkomende plaatsen waar mensen aan de huid pulken zijn het gezicht, de armen en de handen, maar meestal betreft het meerdere plaatsen. Mensen pulken aan de gezonde huid, of aan kleine huid­on­re­gel­ma­tig­he­den, aan laesies zoals pukkeltjes of eeltknobbeltjes, of aan korstjes die door eerder pulken zijn ontstaan. De meeste mensen pulken met hun vingernagels, maar anderen gebruiken daarvoor een pincet, speld of ander voorwerp. Behalve het pulken aan de huid kunnen mensen op de huid wrijven of in de huid knijpen, snijden of bijten. Mensen met een ex­co­ri­a­tie­stoor­nis spenderen vaak behoorlijk veel tijd aan hun pulkgedrag, soms wel meerdere uren per dag, en dit kan zo maanden of jaren doorgaan. Volgens criterium A moet het huidpulken tot huid­be­scha­di­gin­gen leiden, maar mensen met deze stoornis proberen vaak de beschadigingen te verbergen of te camoufleren (met make-up of kleding). Mensen met een ex­co­ri­a­tie­stoor­nis hebben meermaals geprobeerd om het huidpulken te verminderen of ermee te stoppen (criterium B).

Volgens criterium C veroorzaakt het huidpulken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of op een ander belangrijk levensgebied. De term ‘lijdensdruk’ duidt ook op de negatieve gevoelens die mensen die huidpulken kunnen ervaren, zoals het gevoel de zelfbeheersing kwijt te zijn, verlegenheid of schaamte. De significante beperkingen kunnen zich op verschillende terreinen voordoen (zoals sociaal, op het werk, op school of op de opleiding, of in de vrije tijd), deels doordat mensen sociale situaties uit de weg gaan.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.