Psychotische stoornis door een middel/medicatie

Substance / medication-induced psychotic disorder

CLASSIFICATIECRITERIA

  1. Aanwezigheid van een van de of beide volgende symptomen:
    1. Wanen.
    2. Hallucinaties.

Volgens de DSM-IV telden hallucinaties niet mee voor de classificatie als een betrokkene besefte dat zijn of haar hallucinaties werden veroorzaakt door een middel of medicatie, maar dit is niet langer van toepassing.

  1. Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, lichamelijk onderzoek of la­bo­ra­to­ri­um­uit­sla­gen voor zowel (1) als (2):
    1. De in criterium A genoemde symptomen zijn ontstaan tijdens of kort na de intoxicatie door of onttrekking van een middel, of na blootstelling aan of onttrekking van een geneesmiddel.
    2. Van het betreffende (genees)middel is bekend dat het de symptomen in criterium A kan veroorzaken.

De wanen en/of hallucinaties zijn ontstaan tijdens of kort na de intoxicatie door of onttrekking van een middel, of na blootstelling aan een geneesmiddel, en van het betreffende middel/medicijn moet bekend zijn dat het de psychose kan veroorzaken. Deze omschrijving is specifieker dan in de DSM-IV, waarin de formulering 'oorzakelijk in verband' werd gebruikt.

  1. De stoornis kan niet beter worden verklaard door een psychotische stoornis die niet door een middel/medicatie wordt veroorzaakt. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een dergelijke onafhankelijke psychotische stoornis zijn:
    De symptomen bestonden al voor het gebruik van het middel of de medicatie; de symptomen persisteren gedurende een aanzienlijke periode (bijvoorbeeld ongeveer een maand) na afloop van de acute onttrekking of ernstige intoxicatie; of er zijn andere aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake is van een psychotische stoornis die niet door een middel/medicatie is veroorzaakt (bijvoorbeeld een voor­ge­schie­de­nis met recidiverende episoden die niet door een middel/medicatie zijn veroorzaakt).

Deze criteria schetsen situaties die twijfel zaaien over een vermeende relatie tussen het gebruik van een middel en de psychose. Als de symptomen zich bijvoorbeeld voordoen vóór het begin van het middel - of medicijngebruik, is het waarschijnlijk dat de psychose niet door een middel is veroorzaakt. Een delirium is uitgesloten als verklaring voor de psychose, als dit wel het geval is dient het delirium apart te worden gecodeerd. De stoornis moet klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken.

  1. De stoornis treedt niet uitsluitend op in het beloop van een delirium.

Deze criteria schetsen situaties die twijfel zaaien over een vermeende relatie tussen het gebruik van een middel en de psychose. Als de symptomen zich bijvoorbeeld voordoen vóór het begin van het middel - of medicijngebruik, is het waarschijnlijk dat de psychose niet door een middel is veroorzaakt. Een delirium is uitgesloten als verklaring voor de psychose, als dit wel het geval is dient het delirium apart te worden gecodeerd. De stoornis moet klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken.

  1. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Deze criteria schetsen situaties die twijfel zaaien over een vermeende relatie tussen het gebruik van een middel en de psychose. Als de symptomen zich bijvoorbeeld voordoen vóór het begin van het middel - of medicijngebruik, is het waarschijnlijk dat de psychose niet door een middel is veroorzaakt. Een delirium is uitgesloten als verklaring voor de psychose, als dit wel het geval is dient het delirium apart te worden gecodeerd. De stoornis moet klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken.

NB Deze classificatie moet alleen in plaats van een classificatie intoxicatie door of ont­trek­kings­syn­droom van een middel worden toegekend wanneer de symptomen uit criterium A in het klinische beeld op de voorgrond staan en zo ernstig zijn dat afzonderlijke aandacht gerechtvaardigd is.

Co­de­rings­aan­wij­zing De ICD-10-codes voor de psychotische stoornissen door een specifiek (genees)middel zijn weergegeven in de volgende tabel.

ICD-10
Alcohol
Cannabis
Fencyclidine of ander hallucinogeen
Inhalantium
F10.5
F12.5
F16.5
F18.5
Hypnoticum of anxiolyticum
Amfetamine (of ander stimulantium)
Cocaïne
Een ander (of onbekend) middel
F13.5
F15.5
F14.5
F19.5

Specificeer ‘met begin tijdens intoxicatie’ en/of ‘met begin tijdens onttrekking’ (zie tabel 1 in het hoofdstuk ‘Mid­del­ge­re­la­teer­de en ver­sla­vings­stoor­nis­sen’, waarin vermeld staat of deze specificaties van toepassing zijn op een bepaalde klasse middelen); of specificeer ‘met begin na me­di­ca­tie­ge­bruik’:

Met begin tijdens intoxicatie Wanneer is voldaan aan de criteria voor intoxicatie door het middel en de symptomen ontstaan tijdens de intoxicatie.
Met begin tijdens onttrekking Wanneer is voldaan aan de criteria voor het ont­trek­kings­syn­droom van het middel en de symptomen ontstaan tijdens of kort na de onttrekking.
Met begin na me­di­ca­tie­ge­bruik Wanneer de symptomen ontstaan na het beginnen met een geneesmiddel, na een verandering in het gebruik van een geneesmiddel, of tijdens de onttrekking van een geneesmiddel.

Specificeer actuele ernst:
De ernst wordt beoordeeld op basis van een kwantitatieve meting van de primaire psy­cho­se­symp­to­men: wanen, hallucinaties, abnormale psychomotoriek en negatieve symptomen. Van elk van deze symptomen kan de maximale ernst gedurende de voorafgaande week worden gescoord op een 5-puntsschaal van 0 (niet aanwezig) tot 4 (aanwezig en ernstig). (Zie ‘Dimensionale beoordeling van de ernst van psy­cho­se­symp­to­men’ in het hoofdstuk ‘Meet­in­stru­men­ten’.)
NB De classificatie psychotische stoornis door een middel/medicatie kan worden toegekend zonder deze specificatie van ernst te gebruiken.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.