Het voornaamste kenmerk van de depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie is een prominente en persisterende verstoring van de stemming die in het klinische beeld op de voorgrond staat en wordt gekenmerkt door een verlaagde stemming of een duidelijk verminderd(e) interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten (criterium A), als gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld een drug, een medicijn of een blootstelling aan toxines) (criterium B). Om aan de criteria voor de classificatie te voldoen, moeten de depressieve symptomen zijn ontstaan tijdens of kort na de intoxicatie door of onttrekking van een middel, of na blootstelling aan of onttrekking van een geneesmiddel, zoals blijkt uit de anamnese, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen (criterium B1), en het betreffende (genees)middel moet de depressieve symptomen kunnen veroorzaken (criterium B2). Bovendien zijn de depressieve symptomen niet beter te verklaren door een depressieve-stemmingsstoornis die niet door een middel/medicatie is veroorzaakt.
Aanwijzingen voor een onafhankelijke depressieve-stemmingsstoornis zijn onder andere de observaties dat de depressieve symptomen al bestonden voordat het middel of de medicatie voor het eerst gebruikt werd, dat de depressieve symptomen nog een aanzienlijke periode na afloop van de acute onttrekking of ernstige intoxicatie aanhouden, of dat er andere aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er sprake is van een depressieve-stemmingsstoornis die niet door een middel/medicatie is veroorzaakt (criterium C), bijvoorbeeld een voorgeschiedenis met recidiverende episoden die niet door een middel of medicatie zijn veroorzaakt. Deze classificatie mag niet worden toegekend wanneer de symptomen uitsluitend optreden in het beloop van een delirium (criterium D). Tot slot is voor de classificatie vereist dat de depressieve symptomen klinisch significante lijdensdruk veroorzaken, of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium E). De classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie mag alleen in plaats van een classificatie intoxicatie door of onttrekkingssyndroom van een middel worden toegekend wanneer de symptomen uit criterium A in het klinische beeld op de voorgrond staan en zo ernstig zijn dat afzonderlijke aandacht gerechtvaardigd is.
De twee klassen drugs waarvan het het waarschijnlijkst is dat ze een depressieve-stemmingsstoornis veroorzaken, zijn centrale remmers (zoals bij intoxicatie door alcohol, benzodiazepinen of andere hypnotica of anxiolytica) en stimulantia (zoals bij de onttrekking van amfetamineachtige middelen en cocaïne). Bij sommige geneesmiddelen (bijvoorbeeld steroïden; antihypertensiva zoals clonidine, guanethidine, methyldopa en reserpine; interferon; levodopa) is de kans groot dat ze depressieve-stemmingssyndromen veroorzaken. Geneesmiddelen die, met verschillende mate van zekerheid, met een depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie in verband zijn gebracht, zijn: antibiotica, antivirale middelen (efavirenz), cardiovasculaire geneesmiddelen (zoals bètablokkers en calciumkanaalblokkers), retinolzuurderivaten (isotretinoïne), antidepressiva, anticonvulsiva, antimigrainemiddelen (triptanen), antipsychotica, hormonale middelen (corticosteroïden, orale anticonceptiva, GnRH-antagonisten, tamoxifen), chemotherapeutica en hulpmiddelen bij het stoppen met roken (varenicline). Deze lijst zal waarschijnlijk groeien naarmate nieuwe verbindingen worden gesynthetiseerd.
Om te bepalen of de drug of medicatie daadwerkelijk samenhangt met de depressieve symptomen, of dat de symptomen beter begrepen kunnen worden als een onafhankelijke depressieve-stemmingsstoornis, zijn een nauwkeurige anamnese en een zorgvuldig oordeel essentieel. Wanneer iemand een hoge dosis heeft genomen van een relevante drug of medicatie en deze persoon geen voorgeschiedenis heeft met een onafhankelijke depressieve episode, is de classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie waarschijnlijk het passendst. Zo komt een depressieve episode die is ontstaan in de context van intensief gebruik van een relevante drug, of binnen de eerste weken na aanvang van alfa-methyldopa (een antihypertensivum) bij iemand zonder voorgeschiedenis van depressievestemmingsstoornissen, in aanmerking voor de classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie. In sommige gevallen kan een eerder vastgestelde aandoening (bijvoorbeeld de depressieve stoornis, recidiverend) zich opnieuw voordoen terwijl de persoon in kwestie toevallig een (genees)middel gebruikt dat kan leiden tot depressieve symptomen (bijvoorbeeld alcohol en/of stimulantia in de context van intensief gebruik, L-dopa, orale anticonceptiva). In dergelijke gevallen moet de clinicus beoordelen of de medicatie in deze specifieke situatie een oorzakelijke rol heeft gespeeld.
Een depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie kan worden onderscheiden van een onafhankelijke depressieve-stemmingsstoornis door het ziektebegin, het beloop, of door andere factoren die verband houden met het gebruik van een middel of medicatie. Uit de anamnese, lichamelijk onderzoek of laboratoriumuitslagen moet blijken dat er voorafgaand aan de start van de depressieve-stemmingsstoornis een drug of medicatie is gebruikt die depressieve symptomen kan veroorzaken na blootstelling aan, onttrekking van of intoxicatie door dat betreffende middel. De neurochemische veranderingen die samenhangen met intoxicatie door en onttrekking van sommige middelen kunnen tamelijk langdurig zijn. Hierdoor kunnen ernstige depressieve symptomen lange tijd na het stoppen van het gebruik blijven bestaan, en kan de classificatie depressieve-stemmingsstoornis door een middel/medicatie nog steeds van toepassing zijn.