Het hoofdkenmerk van alcoholonttrekking is een karakteristiek onttrekkingssyndroom dat binnen enkele uren tot dagen na het staken (of verminderen) van een fors en langdurig gebruik van alcohol ontstaat (criteria A en B). Het onttrekkingssyndroom omvat minstens twee symptomen die wijzen op autonome hyperactiviteit en angst, zoals vermeld in criterium B, met daarnaast gastro-intestinale symptomen.
De onttrekkingssymptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium C). De klachten of verschijnselen mogen niet zijn toe te schrijven aan een somatische aandoening en zijn niet beter te verklaren door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld een gegeneraliseerde-angststoornis), noch door de intoxicatie door of onttrekking van een ander middel (bijvoorbeeld onttrekking van een hypnoticum of anxiolyticum) (criterium D).
De symptomen zijn te verlichten door het toedienen van alcohol of benzodiazepinen (bijvoorbeeld diazepam). De onttrekkingssymptomen beginnen meestal wanneer de bloed-alcoholconcentratie plotseling (binnen vier tot twaalf uur) daalt, nadat het gebruik van alcohol wordt gestaakt of verminderd. Door de relatief snelle omzetting van alcohol bereiken de symptomen van het onttrekkingssyndroom van alcohol meestal hun hoogtepunt op de tweede dag van de abstinentie en treedt er daarna, op de vierde of vijfde dag, een duidelijke verbetering op. Volgend op een acuut onttrekkingssyndroom kunnen echter nog steeds gedurende drie tot zes maanden lichtere symptomen van angst, insomnia en autonome disfunctie optreden.
Minder dan 10% van de mensen met een onttrekkingssyndroom van alcohol krijgt te maken met plotselinge opvallende symptomen (zoals ernstige hyperactiviteit van het centrale zenuwstelsel, tremoren, delirium door alcoholonttrekking). Bij minder dan 3% van de betrokkenen treden tonisch-klonische insulten op.