De naam van de angststoornis door een middel/medicatie begint met ‘angststoornis door’, gevolgd door de naam van het specifieke middel (bijvoorbeeld cocaïne, salbutamol) waarvan wordt verondersteld dat het de symptomen veroorzaakt. De code wordt geselecteerd uit de tabel bij de lijst met criteria, en is gebaseerd op de klasse van het middel. Voor middelen die niet passen in een van deze klassen (bijvoorbeeld salbutamol) moet de code voor ‘een ander (of onbekend) middel’ worden gekozen. Wanneer geoordeeld wordt dat een middel een etiologische factor is, terwijl de klasse van het middel niet bekend is, is diezelfde code van toepassing.
Achter de naam van het middel staat de specificatie over het begin (‘met begin tijdens intoxicatie’, ‘met begin tijdens onttrekking’, ‘met begin na medicatiegebruik’). Aan de stoornis in het gebruik van een middel wordt een aparte code toegekend. Stel bijvoorbeeld dat een man met een ernstige stoornis in het gebruik van lorazepam angstsymptomen heeft tijdens de onttrekking, dan is de classificatie: F13.8 angststoornis door lorazepam, met begin tijdens onttrekking. Daarnaast wordt de classificatie F13.2 ernstige stoornis in het gebruik van lorazepam toegekend. Wanneer geoordeeld wordt dat meer dan één middel een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van de angstsymptomen, dient elk middel apart te worden vermeld (bijvoorbeeld: F15.8 angststoornis door methylfenidaat, met begin tijdens intoxicatie; F19.8 angststoornis door salbutamol, met begin na medicatiegebruik).