Angststoornis door een middel/medicatie

Substance/medication-induced anxiety disorder

CLASSIFICATIECRITERIA

  1. Paniekaanvallen of angst staan in het klinische beeld op de voorgrond.
  2. Er zijn aanwijzingen vanuit anamnese, lichamelijk onderzoek of la­bo­ra­to­ri­um­uit­sla­gen voor zowel (1) als (2):
    1. De in criterium A genoemde symptomen zijn ontstaan tijdens of kort na de intoxicatie door of onttrekking van een middel, of na blootstelling aan of onttrekking van een geneesmiddel.
    2. Van het betreffende (genees)middel is bekend dat het de in criterium A genoemde symptomen kan veroorzaken.
  3. De stoornis kan niet beter worden verklaard door een angststoornis die niet door een middel/medicatie wordt veroorzaakt. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van een dergelijke onafhankelijke angststoornis zijn:
    De symptomen bestonden al voor het gebruik van het middel of de medicatie; de symptomen persisteren gedurende een aanzienlijke periode (bijvoorbeeld ongeveer een maand) na afloop van de acute onttrekking of ernstige intoxicatie; of er zijn andere aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake is van een onafhankelijke angststoornis die niet door een middel/medicatie is veroorzaakt (bijvoorbeeld een voor­ge­schie­de­nis met recidiverende episoden die niet door een middel of medicatie zijn veroorzaakt).
  4. De symptomen treden niet uitsluitend op in het beloop van een delirium.
  5. De symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

NB Deze classificatie moet alleen in plaats van een classificatie intoxicatie door of ont­trek­kings­syn­droom van een middel worden toegekend wanneer de symptomen uit criterium A in het klinische beeld op de voorgrond staan en zo ernstig zijn dat afzonderlijke aandacht gerechtvaardigd is.

Co­de­rings­aan­wij­zing De ICD-10-codes voor de angst­stoor­nis­sen door een specifiek (genees)middel zijn weergegeven in de volgende tabel.

ICD-10
AlcoholF10.8
CafeïneF15.8
CannabisF12.8
Fencyclidine of ander hallucinogeenF16.8
InhalantiumF18.8
OpioïdeF11.8
Hypnoticum of anxiolyticumF13.8
Am­fe­ta­mi­ne­ach­tig middel (of ander stimulantium)F15.8
CocaïneF14.8
Een ander (of onbekend) middelF19.8

Specificeer ‘met begin tijdens intoxicatie’ en/of ‘met begin tijdens onttrekking’ (zie tabel 1 in het hoofdstuk ‘Mid­del­ge­re­la­teer­de en ver­sla­vings­stoor­nis­sen’, waarin vermeld staat of deze specificaties van toepassing zijn op een bepaalde klasse middelen); of specificeer ‘met begin na me­di­ca­tie­ge­bruik’:

Met begin tijdens intoxicatie Wanneer is voldaan aan de criteria voor intoxicatie door het middel en de symptomen ontstaan tijdens de intoxicatie.
Met begin tijdens onttrekking Wanneer is voldaan aan de criteria voor het ont­trek­kings­syn­droom van het middel en de symptomen ontstaan tijdens of kort na de onttrekking.
Met begin na me­di­ca­tie­ge­bruik Wanneer de symptomen ontstaan na het beginnen met een geneesmiddel, na een verandering in het gebruik van een geneesmiddel, of tijdens de onttrekking van een geneesmiddel.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.