Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Veel mensen die zich exhibitioneren of die een sterke impuls voelen om dat te doen, worden nooit voor behandeling verwezen en ontvangen nooit de classificatie exhibitionismestoornis. Als deze mensen niet lijden onder hun fantasieën en impulsen, geen beperkingen ondervinden door hun seksuele interesse op andere belangrijke terreinen van het functioneren, en uit hun zelfgerapporteerde, psychiatrische of juridische voorgeschiedenis niet blijkt dat zij handelen naar hun seksuele interesse, dan kan volgens de DSM-5 wel een parafilie vastgesteld worden (in dit geval exhibitionisme), maar geen exhibitionismestoornis. Bij mensen die wel lijden onder hun verlangens of gedrag of die beperkingen ondervinden op bepaalde terreinen van hun functioneren (bijvoorbeeld relaties of gevolgen van juridische kwesties voor het werk) dient een exhibitionismestoornis te worden vastgesteld. De parafiele drang, interesses, fantasieën en handelingen moeten gedurende minstens zes maanden intens en terugkerend zijn geweest om aan de classificatiecriteria voor deze stoornis te voldoen.
Hoewel het hoofdkenmerk bestaat uit het parafiele gedrag en/of de lijdensdruk/beperkingen die het veroorzaakt, is voor het toekennen van de classificatie vereist dat er sprake is van terugkerende en intense seksuele opwinding gedurende een bepaalde periode. Met deze kenmerken kan worden bepaald of aan de algemene criteria voor de stoornis wordt voldaan.
De intensiteit of de ernst van de stoornis kan tijdens het beloop variëren. In de DSM-5 zijn specificaties opgenomen over de voorkeur van de patiënt wat betreft het type persoon aan wie hij zichzelf wil laten zien (i.e., prepuberale kinderen, lichamelijk volgroeide personen, of beide) en in welke omgeving. De specificatie ‘in een gereguleerde omgeving’ is toegevoegd om te erkennen dat gedrag als exhibitionisme moeilijk in te schatten kan zijn bij mensen die slechts beperkte mogelijkheden hebben om zich te exhibitioneren, omdat ze in een gereguleerde omgeving leven (bijvoorbeeld in een gevangenis of het leger, waar dergelijk gedrag vrijwel onmogelijk is). Bij de exhibitionismestoornis kan ook de specificatie ‘volledig in remissie’ worden toegekend, wat betekent dat de persoon in kwestie in een periode van minstens vijf jaar — gedurende welke hij of zij zich niet in een gereguleerde omgeving bevond — geen lijdensdruk of beperkingen in het functioneren heeft ervaren en niet gehandeld heeft naar de exhibitionistische impulsen. In de DSM-5 wordt niet gespecificeerd of de patiënt mogelijk impulsen heeft waarnaar hij of zij niet handelt. Er staat vermeld dat de stoornis zelden voorkomt bij vrouwen en dat deze doorgaans bij mannen ontstaat in de adolescentie of vroege volwassenheid. Er is weinig bekend over de persistentie in de tijd. Er bestaan geen specifieke tests die bruikbaar kunnen zijn om deze stoornis vast te stellen. Daarom is de classificatie gebaseerd op klinische verschijnselen en beschrijving.