Opnemen van de anamnese

Opnemen van de anamnese

Een 35-jarige man meldt dat hij problemen heeft met seksueel opgewonden raken, tenzij hij zich ‘in enkele specifieke situaties’ bevindt. Ook al weet de onderzoeker (via de verwijsbrief) — of vermoedt hij — dat de patiënt zijn geslachtsdelen laat zien aan niets­ver­moe­den­de vreemden, toch dient hij de patiënt te vragen om gedetailleerd te beschrijven in welke situatie(s) deze seksueel opgewonden raakt. Deze beschrijving door de patiënt dient als uitgangspunt te worden genomen, ongeacht hoe ontwijkend of bagatelliserend zijn antwoorden wellicht zijn.

Zodra is bevestigd dat er sprake is van exhibitionisme, dient de onderzoeker te vragen hoe de patiënt zich voelt tijdens een incident, onmiddellijk erna en na afloop, en te onderzoeken of hij tijdens of na het incident masturbeert: ‘Wordt u erg opgewonden als u uw geslachtsdelen toont aan een onbekende vrouw? Begint u te masturberen als ze verrast of geschokt reageert?’ De volgende vragen dienen zich te richten op hoelang, hoe vaak en in welke situaties het gedrag zich voordoet: ‘Wanneer heeft u voor het eerst uw geslachtsdelen in het openbaar getoond? Hoe vaak heeft u dit gedaan en waar gebeurt dit meestal?’ Ten slotte moet de onderzoeker vragen of de patiënt lijdt onder het gedrag: ‘Heeft u er moeite mee dat u uw geslachtsdelen laat zien aan andere mensen? Raakt u ervan van slag? Heeft u ooit juridische of andere problemen gehad in verband met uw exhibitionisme?’

Om alle symptomen van het exhibitionisme te achterhalen, dient tijdens het opnemen van de anamnese gewerkt te worden aan een sfeer van vertrouwen en respect, waarbij elke vorm van confrontatie met de patiënt over zijn gedrag en de juridische gevolgen daarvan vermeden moet worden.

Voor het herkennen van een ex­hi­bi­ti­o­nis­me­stoor­nis is het van cruciaal belang dat de patiënt een bepaald gedrag beschrijft — namelijk ontbloting van zijn geslachtsdelen tegenover niets­ver­moe­den­de vreemden — en dat dit gedrag hem opwindt. De vragen over lijdensdruk en beperkingen op verschillende terreinen van het functioneren zijn bruikbaar voor het vaststellen van de stoornis. Iemand kan ontwijkend reageren op vragen over zijn opwinding of gedrag, de frequentie ervan, en de ermee samenhangende problemen (bijvoorbeeld juridische problemen). Het klinisch onderzoek is de hoeksteen voor het vaststellen van de classificatie. Eerdere bewijzen van ex­hi­bi­ti­o­nis­tisch gedrag (bijvoorbeeld processen-verbaal, verklaringen van slachtoffers of eerdere beoordelingen) of een bevestigend gesprek met derden (bijvoorbeeld de partner van de patiënt, of de ouders in het geval van een minderjarige dader) kunnen ook bruikbaar zijn. Een beoordeling in het kader van een juridische procedure stelt andere eisen aan de ver­trou­we­lijk­heid en deze moeten met de patiënt worden besproken.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.