Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
De narcistische-persoonlijkheidsstoornis wordt in de DSM-5 omschreven als ‘een pervasief patroon van grandiositeit (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten’ (Handboek, p. 881). Om de stoornis te kunnen vaststellen, moet de persoon voldoen aan de algemene definitie van een persoonlijkheidsstoornis (zie de paragraaf ‘Algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis’ eerder in dit hoofdstuk en in de DSM-5), en aan minstens vijf van de negen genoemde criteria voor deze specifieke stoornis.
Het kenmerkende beeld van een narcistische-persoonlijkheidsstoornis is dat van iemand die zich superieur voelt aan anderen, met een excessieve behoefte aan bewondering. Mensen met deze stoornis geloven dat ze beter zijn dan anderen en erkenning verdienen voor hun superioriteit. Mensen met een narcistische-persoonlijkheidsstoornis hebben over het algemeen geen empathie voor anderen.
Er moet altijd worden bekeken of er sprake is van een andere stoornis. Mensen met een narcistische-persoonlijkheidsstoornis melden zich vaak voor een onderzoek of behandeling van klachten van psychische stoornissen of vanwege interpersoonlijke problemen. Stemmingsstoornissen dienen te worden overwogen en uitgesloten. De grandiositeit die optreedt bij manische of hypomanische episoden, maar die bij bipolaire-stemmingsstoornissen een episodisch karakter heeft, moet niet ten onrechte worden aangezien voor een narcistische-persoonlijkheidsstoornis.
De patiënt moet worden onderzocht op middelenmisbruik. Cocaïne-intoxicatie kan bijvoorbeeld op grandiositeit lijken.
Mensen met een narcistische-persoonlijkheidsstoornis kunnen zich wel of niet bewust zijn van hun symptomen. Ze melden zich vaak niet voor een behandeling of beoordeling van hun persoonlijkheidstrekken. Door het gebrek aan ziektebesef van de patiënt kan het in eerste instantie moeilijk zijn om de stoornis vast te stellen.
Adaptieve variaties van persoonlijkheidstrekken moeten ook worden overwogen. In een enkel geval zijn grandiositeit en overmatig zelfvertrouwen adaptieve trekken die de kans op succes vergroten. Maar als deze trekken pervasief en duurzaam aanwezig zijn, leiden ze meestal tot disfunctioneren.
Het is heel nuttig om te proberen een longitudinaal beeld te krijgen van de geschiedenis, en om aanvullende informatie in te winnen bij andere mensen die betrokken zijn bij het leven van de patiënt (bijvoorbeeld vrienden en familie). Vaak is het noodzakelijk om de patiënt meerdere malen te zien, om het duurzame karakter van de stoornis te achterhalen. De inbreng van vrienden en familie kan duidelijkheid scheppen over de aanwezigheid van het patroon in meerdere omstandigheden en kan de stoornis herleiden tot de adolescentie.