Een clinicus gelooft dat de heer Piersen, 37 jaar, mogelijk voldoet aan de beschrijving in de DSM-5 van een narcistische-persoonlijkheidsstoornis, maar heeft moeite om het beeld van deze man in te passen in de specifieke DSM-5-criteria. Zijn baan als manager van een papiergroothandel noemt hij een ‘verspilling van zijn talent’. Met doorvragen probeert de clinicus te achterhalen of deze uitspraak een voorbeeld is van de DSM-5-criteria.
De clinicus vraagt: ‘Wat bedoelt u precies met “verspilling van mijn talent”?’ De heer Piersen antwoordt: ‘Ik bedoel dat ik veel slimmer ben dan de rest daar. Ik ben de manager van een stel achterlijke types. En mijn baas is een randdebiel. Ik ben de enige op mijn werk met een goed stel hersens.’ De clinicus vraagt: ‘Dus u bedoelt dat u overgekwalificeerd bent om daar te werken?’ Hij antwoordt: ‘Nee, ik heb gewoon veel meer in mijn mars dan wie dan ook in die tent.’ Dan vraagt de clinicus: ‘Zien andere mensen dat u zoveel in uw mars hebt?’, waarop de heer Piersen zegt: ‘Nee, en daar word ik gek van.’ De clinicus vraagt: ‘Hoezo?’ De heer Piersen antwoordt: ‘Omdat niemand daar waardering heeft voor mijn intelligentie. Ze zien niet dat ik slimmer ben. Ik hoef maar met mijn vingers te knippen om een betere baan te krijgen, maar waarschijnlijk gebeurt hetzelfde ergens anders weer!’
Een narcistische-persoonlijkheidsstoornis kan lastig vast te stellen zijn, aangezien het niet waarschijnlijk is dat een patiënt bevestigend antwoordt op vragen over de exacte DSM-5-criteria. Het valt te betwijfelen of iemand met deze stoornis het inzicht zou hebben om te zeggen: ‘Ja, ik heb een excessieve behoefte aan bewondering, ik heb het gevoel recht te hebben op van alles en ik ben iemand die andere mensen gebruikt.’ De classificatie moet dan ook worden gemaakt door conclusies te trekken uit de inhoud van de psychiatrische anamnese.
Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.