Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

Veel stressoren kunnen tot psychiatrische symptomen leiden die acuut of chronisch zijn, en niet iedereen die klachten ontwikkelt na blootstelling aan een extreme stressor of psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis zal aan de criteria voor PTSS of een acute stressstoornis voldoen. In dit geval wordt een aan­pas­sings­stoor­nis vastgesteld. Een patiënt kan bijvoorbeeld een conflictueuze echtscheiding doormaken die panieksymptomen, slaap­stoor­nis­sen en dissociatieve symptomen oproept. Deze symptomen worden ook bij mensen met PTSS of een acute stressstoornis gezien, maar de gebeurtenis (i.e., de echtscheiding) voldoet niet aan de criteria voor een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

De acute stressstoornis onderscheidt zich van PTSS door de timing van de symptomen: bij de acute stressstoornis dienen deze direct na de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis op te treden en niet langer dan een maand te duren, terwijl PTSS wordt vastgesteld wanneer iemands symptomen langer dan één maand aanhouden.

In plaats van PTSS dienen andere post­trau­ma­ti­sche stoornissen en aandoeningen te worden overwogen indien de symptomen niet worden voorafgegaan door blootstelling aan een psychotrauma. Ook geldt dat, als de symptomen die optreden als gevolg van een extreme stressor voldoen aan de criteria voor een andere psychische stoornis, de andere aandoening moet worden vastgesteld in plaats van of in aanvulling op PTSS.

Bij de obsessieve-compulsieve stoornis kunnen bepaalde terugkerende gedachten vergelijkbaar zijn met de her­be­le­vings­symp­to­men bij psy­cho­trau­ma­ge­re­la­teer­de stoornissen; het onderscheidende kenmerk is echter dat deze gedachten bij een obsessieve-compulsieve stoornis niet samenhangen met een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Evenzo hangen de arousal- en dissociatieve symptomen bij de paniekstoornis en de vermijding, prikkelbaarheid en angst bij de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis niet samen met een specifieke psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis. Bij de se­pa­ra­tie­angst­stoor­nis treden geen typische PTSS-symptomen op; bovendien voldoet separatie niet aan de kenmerken van een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis.

Aan depressiviteit kan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis voorafgaan; de depressieve stoornis moet dan worden vastgesteld als andere symptomen van PTSS afwezig zijn. Belangrijk is dat de symptomen in criterium B en C voor PTSS niet van toepassing zijn op de depressieve stoornis. Ook een aantal van de symptomen in criterium D en E voor PTSS komt niet voor bij de depressieve stoornis.

Door blootstelling aan een of meer psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen kunnen per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen zich ontwikkelen of verergeren, en dit kan duiden op PTSS. Van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis valt te verwachten dat deze ook onafhankelijk van blootstelling aan het psychotrauma optreedt. Dissociatieve symptomen zoals die bij dissociatieve amnesie, de dissociatieve iden­ti­teits­stoor­nis en de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kunnen ontstaan na een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis en kunnen gezamenlijk voorkomen met PTSS-symptomen. Als volledig aan de criteria voor PTSS wordt voldaan, dan dient het subtype ‘met dissociatieve symptomen’ te worden overwogen.

Als er somatische symptomen zijn die lijken op een con­ver­sie­stoor­nis (functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis) en die optreden na blootstelling aan een psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis, dan is er waarschijnlijk eerder sprake van PTSS dan van een con­ver­sie­stoor­nis.

Flashbacks of herbeleving van psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenissen bij PTSS moeten ge­dif­fe­ren­ti­eerd worden van illusoire vervalsingen, hallucinaties en andere perceptuele symptomen die optreden bij schizofrenie, de kortdurende psychotische stoornis en andere psychotische stoornissen; depressieve- en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen met psychotische kenmerken; delirium; stoornissen door een middel/medicatie; en psychotische stoornissen door somatische aandoeningen. De flashbacks bij de acute stressstoornis zijn direct gerelateerd aan de psy­cho­trau­ma­ti­sche gebeurtenis en treden op in de afwezigheid van andere psychotische kenmerken of symptomen die door een middel worden veroorzaakt.

Bij patiënten met lichamelijk letsel als gevolg van traumatisch hersenletsel kunnen symptomen optreden van de acute stressstoornis en PTSS. Het is van belang om te benadrukken dat er naast de acute stressstoornis of PTSS ook post­com­mo­ti­o­ne­le syndromen (met bijvoorbeeld hoofdpijn, duizeligheid, problemen met het geheugen, prikkelbaarheid of con­cen­tra­tie­pro­ble­men) kunnen voorkomen. Ook kunnen patiënten met traumatisch hersenletsel dissociatieve symptomen hebben (bijvoorbeeld een veranderd gevoel van bewustzijn of ge­heu­gen­pro­ble­men), die moeilijk te onderscheiden zijn van symptomen van de acute stressstoornis en PTSS. Symptomen van herbeleving en vermijding zijn kenmerkend voor PTSS en de acute stressstoornis, terwijl aanhoudende desoriëntatie en verwarring doorgaans meer specifiek zijn voor traumatisch hersenletsel. Bovendien houden de symptomen van de acute stressstoornis maximaal één maand na blootstelling aan het psychotrauma aan, terwijl de symptomen van traumatisch hersenletsel jaren kunnen blijven bestaan en in sommige gevallen zelfs de rest van iemands leven aanhouden.

Bij sommige mensen met een acute stressstoornis of PTSS kunnen dissociatieve symptomen of gedrag dat op af­stan­de­lijk­heid lijkt op de voorgrond staan. Dissociatieve toestanden kunnen van korte duur zijn — slechts een paar seconden of minuten — of van lange duur zijn en dan dagen aanhouden. Bij mensen met een acute stressstoornis of PTSS kunnen boosheid, prikkelbaarheid of agressief gedrag zich ook sterk manifesteren. De intrusieve symptomen gaan niet altijd over de gebeurtenis zelf, maar kunnen een respons zijn op specifieke aspecten van de gebeurtenis. Een voorbeeld is de reactie van een vrouw op het zien van een SUV, die een herinnering opriep aan de plek waar zij was verkracht.

Bij de acute stressstoornis komen vaak paniekgevoelens voor. Een paniekstoornis zou alleen moeten worden vastgesteld als de paniekaanvallen onverwacht zijn, de persoon in kwestie zich ongerust maakt over paniekaanvallen in de toekomst, of hij of zij maladaptief gedrag vertoont in een poging om de vermeende rampzalige gevolgen van een paniekaanval (bijvoorbeeld doodgaan, of ernstig in verlegenheid worden gebracht) tegen te gaan.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.