Bestudeer de volgende casus
Bestudeer de volgende casus
De heer Coppens, een 32-jarige alleenstaande man, vertelt hoe hij in Irak gewond is geraakt toen hij daar aan een bouwproject meewerkte. Hij was in het kantoor met collega’s aan het praten, en lachte net om een grap die iemand had verteld toen hij een luide knal hoorde, gevolgd door sirenes. Hij hoorde een collega schreeuwen: ‘Naar de bunker!’, en toen begon iedereen te rennen. Hij holde ook in de richting van de bunker, toen hij plotseling op de grond viel. Meteen stond hij op en begon opnieuw te rennen. Eenmaal in de bunker hoorde hij gedempte stemmen, die langzaam luider werden, en hij besefte dat mensen tegen hem aan het praten waren. Hij herinnerde zich nog dat hij zei: ‘Ik voel me prima’, maar het volgende dat hij wist was dat hij wakker werd in het ziekenhuis, met zwachtels om zijn nek, armen en benen. Hij bleek meerdere malen beschoten te zijn en er zaten granaatscherven in zijn hals, waardoor hij moeite had met praten. Hij is al verschillende keren geopereerd, en er volgen nog meer operaties om de resterende granaatscherven te verwijderen. Het is nu acht maanden na de aanval en hij meldt dat hij sinds kort ‘paniekerig en schrikachtig’ is. Hij beschrijft ernstige slaapproblemen, met nachtmerries over de aanslag. Hij zegt dat alles om hem heen onwerkelijk lijkt, alsof hij ‘een acteur is in een toneelstuk waar hij naar kijkt’. Harde geluiden zijn bijzonder verontrustend voor hem; hij krijgt er paniekaanvallen door, wat het moeilijk maakt voor hem om zijn appartement te verlaten. Hij heeft geen voorgeschiedenis van psychotrauma’s, en de ervaringen in zijn kindertijd vallen binnen de normen voor wat als normaal en gezond wordt beschouwd.
De aard en de duur van de symptomen die de heer Coppens beschrijft komen overeen met PTSS met uitgestelde expressie. PTSS wordt gekenmerkt door de ontwikkeling van bepaalde symptomen na de blootstelling aan gebeurtenissen die gepaard gaan met een doodsbedreiging, een feitelijke of dreigende verwonding of feitelijk of dreigend seksueel geweld. In het geval van de heer Coppens gaat het om een feitelijke of dreigende verwonding. De vertraging in het opkomen van de symptomen van minstens zes maanden na de gebeurtenis (acht maanden in deze casus) is atypisch. Gezien de derealisatieklachten van de heer Coppens (hij heeft bijvoorbeeld het gevoel dat hij acteur is in een toneelstuk), is het belangrijk om zijn symptomen te onderzoeken op het dissociatieve subtype, dat past bij mensen met ernstige symptomen. Daarnaast is het van belang om te beoordelen of er in relatie tot de psychotraumatische gebeurtenis negatieve veranderingen zijn in de cognities en de stemming, die mogelijk in de behandeling moeten worden aangepakt. Bovendien beschrijft de heer Coppens paniekaanvallen, maar de klachten waarnaar hij verwijst zijn niet duidelijk. Daarom is een grondig onderzoek naar deze symptomen gerechtvaardigd: als ze optreden na de blootstelling aan psychotraumatische herinneringen is de classificatie PTSS van toepassing. Een bijkomende classificatie van paniekaanvallen is gerechtvaardigd als de heer Coppens paniekaanvallen ervaart in andere omstandigheden dan de herinnering aan de psychotraumatische gebeurtenis. PTSS komt vaker voor bij mensen die een baan hebben met een verhoogd risico op psychotraumatische blootstelling, wat het geval is bij de heer Coppens.
Het is belangrijk op te merken dat intrusieve symptomen gedurende de ontwikkeling kunnen variëren; zo kunnen jonge kinderen nachtmerries hebben die niet specifiek over de psychotraumatische gebeurtenis gaan.