Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Jitske Kamminga, een 28-jarige vrouw, wordt door haar huisarts naar een psychotherapeut verwezen vanwege haar moeite met slapen. Dit probleem is ontstaan nadat ze betrokken is geweest bij een frontale autobotsing, waarbij er een dodelijk slachtoffer is gevallen. Tijdens het eerste onderzoek vraagt de therapeut aan Jitske: ‘Wanneer heeft het auto-ongeluk plaatsgevonden?’, waarop zij antwoordt: ‘Twee weken geleden.’ De therapeut vraagt dan: ‘En wanneer begon je slaapproblemen te krijgen?’ Jitske antwoordt: ‘Ongeveer een week na het auto-ongeluk.’ De therapeut vervolgt dan: ‘Ik zou graag meer willen weten over je slaapproblemen. Kun je voor mij beschrijven — zo mogelijk met specifieke voorbeelden — wat voor slaapmoeilijkheden je hebt?’ Jitske vertelt vervolgens dat ze nachtmerries heeft waarin ze het auto-ongeluk herbeleeft en dat ze daardoor wakker wordt en vervolgens niet goed meer kan slapen. De therapeut stelt meer vragen om erachter te komen of er mogelijk andere symptomen aanwezig zijn. Hij vraagt of het ongeval invloed heeft gehad op andere aspecten van Jitskes leven, zoals de manier waarop ze zich gedraagt of omgaat met anderen, hoe ze zich voelt, of haar manier van denken. Hij vraagt dan wanneer deze klachten zijn begonnen en hoelang ze duren. Ook vraagt hij of de vrouw bij het ongeval soms hoofdletsel heeft opgelopen, en als het antwoord ja blijkt te zijn, stelt hij aanvullende vragen om mogelijke postcommotionele symptomen uit te sluiten. De therapeut stelt ook vragen over andere psychotraumatische ervaringen in Jitskes verleden, om in te schatten of zij wellicht aanhoudende traumagerelateerde klachten heeft die haar risico op het ontwikkelen van PTSS vergroten.
De therapeut gebruikt een combinatie van 1) directe, gesloten vragen om vast te stellen wanneer de psychotraumatische gebeurtenis heeft plaatsgevonden en hoelang de klachten hebben geduurd, en 2) open vragen om een goed begrip te krijgen van de aanwezige symptomen en in welke mate die van invloed zijn op het psychosociale en fysiologische functioneren van deze patiënte. Voor het ontwikkelen van een effectief behandelplan is het nodig dat de therapeut andere comorbide aandoeningen, zoals depressiviteit of angststoornissen, uitsluit. Gezien de sterke emotionele respons die kan worden getriggerd door vragen over de psychotraumatische gebeurtenis, dient de therapeut het tempo van deze vragen aan te passen aan Jitskes tempo, door aandacht te besteden aan haar non-verbale reacties en haar vermogen om haar emotionele respons op vragen te reguleren. Hij kan bijvoorbeeld opmerken dat haar ademhaling steeds sneller wordt als er traumatische herinneringen naar boven komen. Hij kan haar dan onderbreken en vragen: ‘Hoe voel je je? Ik merk dat je ademhaling steeds sneller gaat.’ Een patiënt heeft vaak grote waardering voor dit soort uitingen van zorgzaamheid van de kant van de therapeut; het bevestigt immers dat de therapeut begrijpt hoe moeilijk de situatie is voor de persoon in kwestie. Een therapeut kan deze zorgzaamheid tonen door te vragen: ‘Wilt u een glaasje water?’ of’ Wilt u even een pauze nemen?’ Afhankelijk van het type psychotrauma dat iemand heeft doorgemaakt, kan het onderzoek meerdere sessies vergen. Om een veilige omgeving te waarborgen voor mensen om over hun gruwelijke ervaringen te praten, dient de therapeut die met mensen met psychotraumagerelateerde klachten werkt, een open, meelevende en onbevooroordeelde houding te hebben.