Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Het hoofdstuk over psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen is nieuw in de DSM-5. Eerder waren de acute stressstoornis en PTSS gecategoriseerd als angststoornissen. Deze wijziging is ingegeven door de wetenschappelijke literatuur, waaruit blijkt dat de respons op psychotraumatische gebeurtenissen variabel is. Sommige mensen melden klachten die overeenkomen met angst, en anderen hebben klachten van anhedonie en somberheid of een combinatie van angst en anhedonie/somberheid. Daarom was het onjuist om de acute stressstoornis en PTSS uitsluitend als angststoornissen te categoriseren.
Bij het beoordelen van de symptomen om een acute stressstoornis of PTSS vast te stellen, moet de clinicus eerst vaststellen of er een psychotraumatische gebeurtenis is geweest van voldoende omvang die volgens de DSM-5-criteria de symptomen kan verklaren. Een belangrijk punt is dat de symptomen ook het gevolg kunnen zijn van herhaalde of extreme blootstelling aan de afschuwwekkende details van de gebeurtenis door middel van elektronische media, televisie, films of foto’s, maar deze symptomen gelden alleen als criterium als de blootstelling werkgerelateerd is (bijvoorbeeld bij ambulancepersoneel of politieagenten). De criteria voor wat een psychotraumatische gebeurtenis is, zijn nu enger gedefinieerd, zodanig dat zelfs het hebben van een levensbedreigende ziekte niet aan de criteria voor een psychotraumatische gebeurtenis voldoet, tenzij er sprake is van een levensbedreigende acute toestand (bijvoorbeeld verstikking). Ten tweede hoeven mensen niet langer te melden dat ze angst, hulpeloosheid of afschuw ervaren als reactie op de psychotraumatische gebeurtenis, zodat het niet langer nodig is om deze respons tijdens het onderzoek vast te stellen. Ten derde bleek de nadruk op dissociatieve symptomen in de DSM-IV te restrictief te zijn, en daarom is er nu in de DSM-5 bij PTSS een specificatie ‘met dissociatieve symptomen’ opgenomen. Om in aanmerking te komen voor de classificatie acute stressstoornis moet iemand minimaal negen symptomen hebben uit de volgende categorieën: intrusieve symptomen, negatieve stemming, dissociatieve symptomen, vermijdingssymptomen, en arousalsymptomen. Bij PTSS is het van belang om het aantal symptomen binnen elke categorie vast te stellen. Bij volwassenen en voor kinderen van 7 jaar en ouder vereist de classificatie PTSS minstens één intrusief symptoom, minstens één vermijdingssymptoom, minstens twee symptomen van negatieve veranderingen in cognities en stemming die samenhangen met de psychotraumatische gebeurtenis, en minstens twee symptomen van veranderingen in de arousal en reactiviteit. Bij kinderen van 6 jaar en jonger vereist de classificatie PTSS minstens één intrusief symptoom, minstens één symptoom van ofwel vermijding van prikkels of negatieve veranderingen in de cognities en minstens twee arousalsymptomen. Er zijn enkele verschillen in hoe de symptoomcriteria voor kinderen versus die voor volwassenen zijn gedefinieerd; intrusieve symptomen bij kinderen kunnen bijvoorbeeld worden uitgedrukt als een gespeelde heropvoering. De criteria voor de acute stressstoornis en PTSS vereisen dat aan een bepaalde stoornisduur wordt voldaan, namelijk drie dagen tot één maand bij de acute stressstoornis en langer dan één maand voor PTSS.
Zoals vermeld in de DSM-5 vergroten ‘psychotraumatische gebeurtenissen zoals kindermishandeling […] het risico op suïcide. PTSS hangt samen met suïcidale gedachten en suïcidepogingen, en de aanwezigheid van de stoornis kan bepalen welke mensen met suïcidale gedachten uiteindelijk een suïcideplan maken of een daadwerkelijke suïcidepoging doen’ (Handboek, p. 401).