Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

De DSM-5 beschrijft de dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis als een ‘pervasief patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en psychische en in­ter­per­soon­lij­ke controle, ten koste van flexibiliteit, openheid en efficiëntie, beginnend op jongvolwassen leeftijd en tot uiting komend in uiteenlopende contexten’ (Handboek, p. 894). Het is belangrijk dat de clinicus in de benadering van de patiënt dit ‘grotere plaatje’ in gedachten houdt. Om zeker te kunnen zijn van de classificatie moet er over een aantal factoren duidelijkheid komen — op de eerste plaats de vraag of de patiënt voldoet aan de algemene criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis (zie de paragraaf ‘Algemene criteria voor een per­soon­lijk­heids­stoor­nis’ eerder in dit hoofdstuk en in de DSM-5) — alvorens de classificatie te verfijnen tot een specifieke per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Een typisch geval van een dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis zal in essentie overeenkomen met de voorgaande beschrijving en moet voldoen aan minstens vier van de acht specifieke criteria in de DSM-5.

Mensen met deze stoornis hebben een angstige preoccupatie met regels en controle, die zo ver gaat dat het tot grote in­ter­per­soon­lij­ke conflicten en disfunctioneren leidt. Hun perfectionisme kan tot verlamming leiden in plaats van tot uitblinken. Ze zijn geneigd zoveel aandacht te schenken aan onbelangrijke details dat ze hun hoofddoelen uit het oog verliezen.

Patiënten zijn zich er vaak niet van bewust dat hun per­soon­lijk­heids­trek­ken pathologisch zijn. Ze kunnen juist volledig achter hun preoccupatie met regels of hun perfectionisme staan, en geloven dat deze trekken adaptief zijn. Voor de clinicus is het een opgave dit boven tafel te krijgen. De patiënt kan zelf andere klachten melden, zoals in­ter­per­soon­lij­ke conflicten of angstklachten. Door dit gebrek aan ziektebesef van de patiënt moet de clinicus wellicht meer moeite doen om het klinische beeld duidelijk te krijgen.

Als iemand tijdelijk, onder specifieke omstandigheden, trekken van de dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis vertoont kan dat een verwarrend klinisch beeld creëren. Sommige mensen vertonen deze trekken misschien alleen wanneer ze onder bepaalde vormen van stress staan, tijdens een specifieke moeilijke periode in hun leven of alleen op een beperkt gebied van hun sociale functioneren. Bij een dergelijk patroon is de classificatie dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis niet gerechtvaardigd. Bovendien zijn het gericht zijn op regels en excessieve aandacht voor details vaak wel adaptief; echter, als dit het geval is, is dat vaak binnen een bepaalde context, zoals bij een beroep dat grote aandacht voor details vereist, en zijn deze per­soon­lijk­heids­trek­ken niet pervasief aanwezig.

Tijdens het diagnostisch proces is het heel nuttig om een longitudinaal beeld te verkrijgen van de geschiedenis en aanvullende informatie in te winnen bij andere mensen uit het leven van de patiënt (bijvoorbeeld vrienden of familieleden). Bij iemand met een dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis is het niet ongewoon dat een gezinslid vanuit zijn of haar perspectief een betere beschrijving van het klinische beeld kan geven dan de patiënt zelf. Vaak is het noodzakelijk om de patiënt meerdere malen te zien om duidelijkheid te krijgen over het duurzame karakter van de stoornis. De inbreng van vrienden en familie kan duidelijkheid scheppen over de aanwezigheid van het patroon in meerdere omstandigheden en kan helpen om de stoornis te herleiden tot de adolescentie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.