Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
De dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis moet worden onderscheiden van andere psychische stoornissen (bijvoorbeeld een autismespectrumstoornis, OCS, een verzamelstoornis en stoornissen in het gebruik van een middel), andere persoonlijkheidsstoornissen en persoonlijkheidstrekken, en van een persoonlijkheidsverandering door een somatische aandoening.
De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) kan gewoonlijk gemakkelijk worden onderscheiden van een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis door de aanwezigheid bij OCS van echte obsessies en compulsies. OCS is voor de betrokkenen emotioneel vaak heel onaangenaam (‘egodystoon’), terwijl een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis voor de betrokkenen vaak niet duidelijk problematisch is (‘egosyntoon’). Iemand met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis is zich over het algemeen minder bewust van zijn of haar rigiditeit en juist meer bewust van de conflicten die er het gevolg van zijn. Als aan de criteria voor beide stoornissen wordt voldaan, moeten beide classificaties worden toegewezen.
Er zijn ook andere angsttoestanden die rigide, regelgeoriënteerde trekken aan de oppervlakte brengen, maar die niet moeten worden verward met een dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis.
Andere persoonlijkheidsstoornissen kunnen met de dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis worden verward omdat ze trekken met elkaar gemeen hebben. Een clinicus moet daarom deze stoornissen van elkaar onderscheiden met behulp van verschillen in de karakteristieke kenmerken ervan. Perfectionisme en denken dat anderen niet in staat zijn dingen ook goed te doen, kunnen bijvoorbeeld ook worden beschreven bij een narcistische-persoonlijkheidsstoornis; narcisme onderscheidt zich gewoonlijk echter door een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid in plaats van het rigide naleven van regels.
In bepaalde professionele omstandigheden of andere situaties waarin sterk op details gerichte prestaties worden beloond, kunnen trekken van de dwangmatige persoonlijkheid adaptief zijn. Bovendien is het mogelijk dat deze trekken bij een bepaalde persoon alleen aanwezig zijn in een context waarbinnen de trek adaptief is, en in dat geval moet de stoornis niet worden vastgesteld.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.