Opnemen van de anamnese

Opnemen van de anamnese

De heer Vos, 38 jaar, heeft om een onderzoek door een psychiater gevraagd in verband met hu­we­lijks­pro­ble­men. Hij vertelt de clinicus dat hij zelf niet van mening is dat hij een probleem heeft, maar dat zijn vrouw vindt dat hij de ‘persoonlijkheid van een controlfreak’ heeft. De patiënt uitnodigen om in zijn eigen woorden uit te leggen wat hem bezighoudt, is een belangrijk onderdeel van de anamnese die nodig is om een classificatie te kunnen bepalen. Al pratend over zijn ordelijkheid vertelt de heer Vos bijvoorbeeld dat hij liever niet heeft dat zijn vrouw zijn cd’s afspeelt, omdat zij ‘ze niet goed terugzet’. Hij zegt: ‘Ik heb mijn cd’s graag op alfabetische volgorde en volgens een bepaalde methode op de plank staan.’ De onderzoeker vraagt: ‘Kunt u me vertellen hoe u ze graag geordend ziet?’, waarop de heer Vos antwoordt: ‘Ik heb ze graag geordend per categorie en daarna op alfabet naar de achternaam van de artiest. En mijn vrouw weet niet eens dat Miles Davis een jazzmuzikant is, en al helemaal niet hoe het op alfabet zetten werkt. Trouwens, ze stopt ze meestal niet eens terug in het hoesje. Ik word gek van haar.’ De onderzoeker vraagt: ‘Wat doet u als zij ze niet terugzet?’ De heer Vos antwoordt: ‘Tja, dan krijgen we ruzie. En dan zet ik ze waar ze horen! Eigenlijk is het niet moeilijk te raden wanneer ze mijn cd’s heeft beluisterd. Ze laat ze overal slingeren, en zet ze niet op volgorde.’ De onderzoeker vraagt: ‘Wat zou er gebeuren als u ze niet terugzette?’ De heer Vos antwoordt: ‘Dat weet ik niet. Niets. Soms doe ik dat in feite ook niet, omdat ik het te druk heb om haar rotzooi op te ruimen.’ De onderzoeker vraagt: ‘Controleert u uw cd’s weleens om na te gaan of ze nog op orde zijn?’ De heer Vos antwoordt: ‘Niet echt. Maar dat is een goed idee, om ze eens in de zoveel tijd te controleren om te kijken of zij er geen zooitje van heeft gemaakt.’ Dan vraagt de onderzoeker: ‘Betrapt u zichzelf er weleens op dat u zich zorgen maakt of de cd’s nog op volgorde staan?’, waarop de heer Vos antwoordt: ‘Alleen als ik weet dat zij ermee heeft gerommeld.’ Vervolgens vraagt de onderzoeker: ‘Besteedt u veel tijd aan dingen zoals de cd’s geordend houden?’ De heer Vos antwoordt: ‘Alleen als ik zie dat mijn vrouw ze door het hele huis heeft laten slingeren. Waarom vraagt u dat? Vindt u niet dat de cd-collectie van een man respect verdient?’

De onderzoeker, die gelooft dat er bij de heer Vos sprake is van een duurzaam en pervasief patroon van maladaptieve trekken van een per­soon­lijk­heids­stoor­nis die overeenstemmen met DSM-5-criteria voor een dwangmatige-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, probeert hier de preoccupatie met ordelijkheid in verband met zijn cd’s te onderscheiden van een obsessieve gedachte of een compulsie om te handelen, wat zou wijzen op een mogelijke obsessieve-compulsieve stoornis (OCS). In dit geval lijkt de patiënt een voorbeeld te beschrijven van een preoccupatie met ordelijkheid. Hij houdt er een bepaald systeem op na met regels die hij wil voor zijn cd’s en toont zich geërgerd wanneer deze regels worden geschonden. Van excessief rumineren en zich zorgen maken over zijn cd-collectie is bij hem echter geen sprake. Bovendien ervaart hij geen angst als de cd’s niet meer op volgorde staan. Hij is alleen zo gefixeerd op de ordelijkheid van zijn collectie dat hij hier de herhaalde ruzies met zijn vrouw voor overheeft.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.