Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Stimulantiumgerelateerde stoornissen omvatten het gebruik van cocaïne en amfetamineachtige middelen. Zowel natuurlijke als synthetische stimulantia kunnen stimulantiumgerelateerde stoornissen produceren. Deze stoornisgroep omvat ook amfetamineachtige stimulantia die structureel verschillen van amfetaminen, maar die soortgelijke werkingsmechanismen hebben, zoals methylfenidaat, en nieuwere synthetische stimulantia die bekendstaan als ‘badzout’ (bijvoorbeeld mephedrone en methylone). Een ongespecificeerde stimulantiumgerelateerde stoornis kan worden vastgesteld in gevallen waarin symptomen die kenmerkend zijn voor een stimulantiumgerelateerde stoornis aanzienlijke lijdensdruk of beperkingen in het functioneren veroorzaken, maar niet volledig aan de criteria voor een specifieke stimulantiumgerelateerde stoornis voldoen.
Het klinische beeld van amfetamineachtige stimulantia is grotendeels vergelijkbaar met dat van cocaïne, maar deze stimulantia bevatten niet de gelokaliseerde analgetische eigenschappen van cocaïne en er is daarom minder risico op het opwekken van bepaalde somatische aandoeningen dan in het geval van cocaïne. De psychoactieve effecten van amfetamineachtige middelen blijven langer bestaan dan die van cocaïne en het effect op het perifere sympathische zenuwstelsel is mogelijk krachtiger, wat in eenzelfde tijdsperiode tot minder gebruik leidt dan bij cocaïne. Amfetamineachtige stimulantia kunnen worden voorgeschreven voor de behandeling van ADHD, narcolepsie en andere stoornissen.
Stimulantiumgerelateerde stoornissen kunnen vanwege hun sterke euforische werking in een zeer korte tijd ontstaan, zelfs minder dan een week. Tolerantie treedt op bij herhaald gebruik en onttrekkingssymptomen omvatten hypersomnia, een verhoogde eetlust en een dysfore stemming. Deze symptomen leiden tot een grotere hunkering en een grotere kans op terugval. Het gebruik kan chronisch of episodisch zijn. De stoornis in het gebruik van een stimulantium hangt samen met agressief of gewelddadig gedrag, vooral wanneer hoge doses worden gerookt, ingenomen of intraveneus gebruikt. Sommige mensen presenteren zich met een intense angst, die lijkt op een paniekstoornis of een gegeneraliseerde-angststoornis, en ze kunnen ook paranoïde ideeën en psychotische episoden hebben die lijken op schizofrenie.
Stimulantia hebben snelle en krachtige effecten op het centrale zenuwstelsel, wat leidt tot een acuut gevoel van welzijn, zelfvertrouwen en euforie. Om deze middelen te verkrijgen, geven mensen doorgaans grote sommen geld uit en houden ze zich bezig met criminele activiteiten. Vaak voorkomende langetermijngevolgen van stimulantiumgerelateerde stoornissen zijn grillig gedrag, sociaal isolement en seksuele disfuncties.
Een acute intoxicatie door een hoge dosis stimulantia kan zich manifesteren in onsamenhangend spreken, hoofdpijn, voorbijgaande betrekkingsideeën en tinnitus. Mensen kunnen ook paranoïde gedachten, auditieve en tactiele hallucinaties hebben, die ze meestal wel herkennen als effecten van stimulantia. Sommigen presenteren zich met extreme woede, bedreigingen of agressief gedrag. Stemmingsstoornissen omvatten somberheid, suïcidegedachten, anhedonie en emotionele labiliteit. Stoornissen in de aandacht en de concentratie komen ook vaak voor. Deze stoornissen van de stemming en het cognitieve functioneren verdwijnen gewoonlijk binnen enkele uren tot dagen na beëindiging van het gebruik; ze kunnen echter tot een maand aanhouden.
Bij stoppen of minderen met het gebruik van stimulantia vindt onttrekking plaats. Dit kan worden gekenmerkt door vermoeidheid, levendige/onaangename dromen, insomnia of hypersomnia, een verhoogde eetlust en psychomotorische agitatie of vertraging. Het middel waarvan de patiënt zich onttrekt moet worden gespecificeerd, of het nu cocaïne, amfetamine of een ander stimulerend middel is.
Mensen met een stoornis in het gebruik van een stimulantium ontwikkelen vaak geconditioneerde reacties op middelgerelateerde stimuli (bijvoorbeeld het zien van een pillendoos), die vaak een rol spelen bij een terugval en bijzonder moeilijk af te leren zijn.
Zoals vermeld in de DSM-5, ‘kunnen [er] depressieve symptomen optreden met suïcidale gedachten of gedrag. Dit zijn meestal de ernstigste symptomen die kunnen optreden tijdens een crash of andere vormen van onttrekking van een stimulantium’ (Handboek, p. 761).