Opnemen van de anamnese

Opnemen van de anamnese

Een 43-jarige vrouw wordt samen met haar man op een psychiatrische polikliniek gezien door de behandelend psychiater. Ze hoort sinds drie weken stemmen. Zij en haar man zijn verbijsterd door haar symptomen, maar melden ook dat ze allebei erg bezorgd zijn over hun zoon, die als militair naar het buitenland is uitgezonden. De psychiater begint het gesprek door te proberen empathie te uiten voor de vrouw: ‘Het moet heel moeilijk zijn om niet te weten wat er met uw zoon gebeurt.’

Vervolgens neemt de psychiater kort doch volledig de anamnese op en voert het status-men­ta­lis­on­der­zoek uit. Ze vraagt ook la­bo­ra­to­ri­um­tests, een schildkliertest en een screening op drugs aan. Ze probeert om meer vragen te stellen over de aard van de aanwezige symptomen: ‘Wat heeft u precies gehoord? Wat voor soort stemmen zijn het? Hebben ze u verteld dat u uzelf pijn moet doen? Hoelang hoort u ze al? Voelt u zich gestrest?’

De psychiater stelt vervolgens vragen over mogelijke stem­mings­symp­to­men: ‘Bent u weleens erg somber of verdrietig? Heeft u problemen met slapen, uw energieniveau of uw eetlust? Voelt u zich weleens heel energiek en actief? Heeft u minder behoefte aan slaap? Heeft u zelf­moord­ge­dach­ten? Is dit bij u al eerder gebeurd?’ Als er symptomen van depressiviteit of manie zijn, kan hierover worden doorgevraagd. Om de situatie nog verder te verduidelijken, vraagt de psychiater ook de echtgenoot van de patiënt naar deze symptomen. Dit helpt de vrouw om zich nog meer details over haar recente symptomen te herinneren.

De psychiater informeert ook voorzichtig naar middelengebruik: ‘Hoeveel alcohol drinkt u? Gebruikt u marihuana, cocaïne of andere middelen? Welke medicijnen neemt u?’ Deze vragen over middelengebruik zijn belangrijk omdat psychotische stoornissen door een middel/medicatie zich vaak manifesteren met deze symptomen. Vragen over de lichamelijke gezondheid, la­bo­ra­to­ri­um­tests en een korte cognitieve screening kunnen behulpzaam zijn bij het uitsluiten van een delirium.

De psychiater stelt vervolgens vragen over andere psychotische symptomen, zoals wanen: ‘Voelt het alsof mensen over u praten? Is er iets wat uw geest of uw lichaam beïnvloedt? Heeft u ooit het gevoel dat u bespioneerd wordt via af­luis­ter­ap­pa­ra­tuur of andere apparaten?’ De echtgenoot van de vrouw wordt ook gevraagd of hij een van deze symptomen heeft opgemerkt.

Bij een kortdurende psychotische stoornis moet de clinicus zich bij het opnemen van de anamnese bewust zijn van de lijdensdruk die deze nieuwe symptomen veroorzaken bij de patiënt en zijn of haar gezin. Uiteindelijk wordt met de vrouw een aantal afspraken gemaakt voor follow-up. Vijf dagen na het eerste bezoek aan de psychiater zijn de psychotische symptomen verdwenen. De patiënt werd nog een jaar gevolgd, maar heeft nooit meer dergelijke symptomen gekregen. Achteraf besloot de psychiater dat de patiënt een kortdurende psychotische stoornis heeft gehad en dat de uitzending van de zoon naar het buitenland een stressor was. De man van de patiënt is het eens met deze beoordeling. De leeftijd bij aanvang en de duur van de symptomen zijn van belang. Als de symptomen bijvoorbeeld langer dan één maand duren, is er geen sprake van een kortdurende psychotische stoornis en kan de clinicus beslissen of het relevanter is om een andere stoornis te verkennen, bijvoorbeeld de schi­zo­fre­ni­for­me stoornis, de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis of schizofrenie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.