Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
De sleutel tot de diagnose van een dissociatieve identiteitsstoornis is het verkrijgen van een volledig beeld van de voorgeschiedenis van de persoon, zijn of haar gedrag, herinneringen en stemmingen, waarin mogelijk discontinuïteiten te vinden zijn. Het is nuttig om bij het verzamelen van informatie over het patroon van de interpersoonlijke interacties, stemmingswisselingen, traumageschiedenis en de voorgeschiedenis van eerdere diagnoses en behandelingen van de patiënt, een open, niet-veroordelende en verkennende houding aan te nemen. Mensen met DIS kunnen verbijstering of verwarring laten zien, of op hun hoede zijn, wanneer ze hun geschiedenis delen. Zij kunnen zichzelf de schuld geven van hun psychotraumatische ervaringen of zich verantwoordelijk voelen voor het beschermen van familiegeheimen. De informatie die ze delen kan inconsistent zijn. Mensen met DIS zijn vaak al vier tot tien jaar in behandeling in de somatische en/of psychiatrische zorg voordat de stoornis wordt vastgesteld. Hun dissociatieve symptomen zijn dan waarschijnlijk door alle eerdere diagnostici over het hoofd gezien of genegeerd. Deze mensen switchen in het begin van het onderzoek meestal niet van de ene persoonlijkheidstoestand naar de andere; om te kunnen bepalen of er sprake is van een discontinuïteit in de identiteit zijn een zorgvuldige anamnese van de ervaringen van de patiënt en het verzamelen van getuigenissen van derden nodig.
Een gestandaardiseerde beoordeling van de hypnotiseerbaarheid, zoals met de Hypnotic Induction Profile of de Stanford Hypnotic Susceptibility Scale, kan bruikbaar zijn, zowel bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van een dissociatieve stoornis (hoge scores) en het potentieel voor het gebruik van hypnose om de symptomen te identificeren en te beheersen. Hypnotische en dissociatieve psychische toestanden lijken op elkaar. Mensen met DIS kunnen met behulp van hypnose leren hoe ze kunnen switchen tussen verschillende identiteitstoestanden en hierdoor uiteindelijk hun spontane identiteitswisselingen onder controle brengen. Openlijk aantonen dat de patiënt dissocieert is niet schadelijk, maar biedt juist een therapeutische kans voor de clinicus om de classificatie te verhelderen en de persoon in kwestie te leren hoe hij of zij de symptomen kan begrijpen en beheersen.
Omdat de stoornis meestal voorkomt in de nasleep van seksuele en/of fysieke mishandeling, verwachten mensen met DIS vaak dat clinici hen ook zullen mishandelen. Voorzichtigheid is dus geboden en respect voor hoeveel lijdensdruk de patiënt aankan is van cruciaal belang. De clinicus kan zichzelf van misbruikplegers onderscheiden door regelmatig te vragen naar de reactie van de patiënt op vragen of interventies, en door aan te bieden om het verloop van het gesprek aan te passen, zodat de persoon in kwestie zich beter op zijn gemak voelt. Uiteindelijk is het niet de taak van de clinicus om de gedissocieerde elementen van de persoonlijkheid van de patiënt te laten verergeren, maar juist om die te laten integreren. Deze elementen moeten worden gezien als een uiting van lijdensdruk. Daarbij moet de clinicus zich richten op de gehele persoon en een constructieve aanpak bieden met het oog op het levensverhaal van de patiënt, waarin de gefragmenteerde elementen immers een duidelijke plek hebben.
Zoals vermeld in de DSM-5 heeft ‘meer dan 70% van de ambulante patiënten met DIS […] een suïcidepoging gedaan; het komt vaak voor dat iemand meer dan één poging doet, en andere vormen van zelfbeschadigend gedrag worden vaak gezien. Bepaling van het suïciderisico kan moeilijk zijn als er sprake is van amnesie voor eerder suïcidaal gedrag, of als de actuele identiteit niet suïcidaal is en niet beseft dat dat wel geldt voor andere dissociatieve identiteiten’ (Handboek, p. 422).