Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

De differentiële diagnostiek van de somatisch-symp­toom­stoor­nis is vrij uitgebreid en betreft zowel andere psychische stoornissen als somatische aandoeningen met niet-specifieke, kortstondig aanwezige symptomen, waarbij vaak meerdere systemen zijn betrokken (bijvoorbeeld auto-immuunziektes zoals systemische lupus erythematosus). Wanneer de lichamelijke klachten beter kunnen worden verklaard door een andere psychische stoornis (bijvoorbeeld de neu­ro­ve­ge­ta­tie­ve symptomen van een depressieve stoornis of symptomen van autonome arousal die samenhangen met een paniekstoornis) en volledig aan de criteria van die andere stoornis wordt voldaan, dient deze andere stoornis als alternatieve classificatie of als comorbide stoornis te worden overwogen.

Aangezien bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis bezorgdheid en angst op de voorgrond staan, dienen in de differentiële diagnostiek van de somatisch-symp­toom­stoor­nis ook angst­stoor­nis­sen te worden overwogen, zoals de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis en de paniekstoornis. Paniekaanvallen komen bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis zelden voor, en de angst die met een somatisch-symp­toom­stoor­nis gepaard gaat, heeft te maken met zorgen over de gezondheid en niet met angst voor meer algemene of om­ge­vings­fac­to­ren. Anders dan bij de depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen, komen stem­mings­symp­to­men zoals somberheid en moedeloosheid en negatieve cognities van schuldgevoelens en su­ï­ci­de­ge­dach­ten bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis niet voor. Mensen met een ziek­te­angst­stoor­nis ervaren een maladaptieve ongerustheid over hun gezondheid, maar hebben daarbij geen significante somatische klachten. De con­ver­sie­stoor­nis (functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis) wordt gekenmerkt door functieverlies, terwijl bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis de nadruk ligt op lijdensdruk in relatie tot somatische klachten. Het verschil tussen de somatisch-symp­toom­stoor­nis en de waanstoornis is dat de opvattingen over de somatische klachten bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis doorgaans realistisch zijn en niet de intensiteit van een waan hebben. Bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis gaan de terugkerende gedachten over ziekte of somatische klachten niet gepaard met repetitieve gedragspatronen die erop gericht zijn de angst te verminderen, zoals kenmerkend is voor de obsessieve-compulsieve stoornis. Bij de morfodysfore stoornis is de betreffende persoon gepreoccupeerd met een als zodanig ervaren uiterlijke misvorming en niet met een lichamelijke klacht die te maken heeft met angst voor een onderliggende somatische aandoening.

De somatisch-symp­toom­stoor­nis treedt zeer vaak gelijktijdig op met andere psychiatrische stoornissen, zoals depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen en angst­stoor­nis­sen. Als de betreffende persoon zowel voldoet aan de criteria voor de somatisch-symp­toom­stoor­nis als aan die van een andere psychiatrische stoornis, moeten beide stoornissen worden gecodeerd en op de geëigende manier worden behandeld.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.