Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen

  • Ze zeggen dat ik niks mankeer, maar ik weet wel beter.
  • De dokters kunnen er niet achter komen waar al mijn klachten vandaan komen.

Ann C. Schwartz, Thomas W. Heinrich

In de DSM-5 vervangt de categorie ‘somatisch-symp­toom­stoor­nis en verwante stoornissen’ de somatoforme stoornissen van de DSM-IV. Een ge­meen­schap­pe­lijk kenmerk van de somatisch-symp­toom­stoor­nis en verwante stoornissen is dat hierbij overwegend lichamelijke klachten optreden die gepaard gaan met een significante lijdensdruk en vervolgens leiden tot beperkingen in het functioneren. De classificaties in deze categorie zijn: de somatisch-symp­toom­stoor­nis, de ziek­te­angst­stoor­nis, de con­ver­sie­stoor­nis (functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis), psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden, de nagebootste stoornis, de andere gespecificeerde somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis en de on­ge­spe­ci­fi­ceer­de somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis.

Mensen met somatische klachten worden doorgaans eerst naar andere medisch specialisten verwezen en komen niet direct bij een ggz-instelling binnen. Het verschil tussen de somatisch-symp­toom­stoor­nis en verwante stoornissen van de DSM-5 en de somatoforme stoornissen van de DSM-IV is dat bij die eerste de nadruk wordt gelegd op het optreden van verontrustende lichamelijke klachten in combinatie met afwijkende gedachten en gedragingen, en niet zozeer op de aanwezigheid van somatisch onverklaarde lichamelijke klachten (SOLK). Mensen met een somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis vertonen verschillende maladaptieve cognitieve, gedragsmatige en/of emotionele symptomen die betrekking hebben op hun lichamelijke klachten. Bij de somatisch-symp­toom­stoor­nis en verwante stoornissen is niet van belang of er een somatische verklaring voor de lichamelijke klachten van de betreffende persoon is; het gaat er vooral om hoe de persoon in kwestie deze lichamelijke klachten interpreteert en ermee omgaat. Mensen kunnen dus met een ge­di­a­gnos­ti­ceer­de lichamelijke aandoening binnenkomen en daarnaast, ten aanzien van deze ziekte en de bijbehorende lichamelijke symptomen, abnormale gedragingen en gedachten hebben. De stoornissen in dit hoofdstuk bezorgen de betrokkene een significante mate van lijdensdruk en beperking, en leiden daarnaast tot een verhoogd zorggebruik.

Deze mensen hebben doorgaans meerdere verontrustende lichamelijke klachten, hoewel het ook voorkomt dat zij zich met slechts één ernstige en aanhoudende klacht melden. Op emotioneel gebied hebben deze patiënten ernstige zorgen en spanningen over hun klachten en/of ziekte. De cognitieve kenmerken zijn: een abnormale focus op lichamelijke klachten en het beschouwen van normale lichamelijke gewaarwordingen als bewijs voor de aanwezigheid van een ziekte. Een gedragskenmerk van iemand met een somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis is bijvoorbeeld het herhaaldelijk zoeken naar medische hulp en geruststelling. De aanwezigheid van een bijkomende lichamelijke aandoening, die de somatische klachten zou kunnen verklaren, sluit de classificatie van een somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis niet uit. Mensen met een somatisch-symp­toom­stoor­nis of verwante stoornis zijn meestal erg ongerust over hun somatische klachten. Zij vrezen vaak het ergste voor hun gezondheid en geven een uitermate bezorgde of verontrustende interpretatie aan hun lichamelijke klachten.

Mensen met een ziek­te­angst­stoor­nis lijden aan extreme bezorgdheid over het krijgen van een ernstige nog niet ge­di­a­gnos­ti­ceer­de ziekte of zijn gepreoccupeerd met het idee dat zij een dergelijke ziekte hebben. Deze preoccupatie blijft aanhouden, ondanks dat na grondige anamnese en lichamelijk onderzoek geen ernstige somatische aandoening is aangetoond die de klachten kan verklaren. De ongerustheid kan het gevolg zijn van een lichamelijk verschijnsel of lichamelijke gewaarwording, maar de buitensporige reactie van de betreffende persoon komt niet in de eerste plaats voort uit de somatische klacht, maar uit de angstaanjagende betekenis die eraan verleend wordt en de mogelijkheid dat daar een ongunstige oorzaak aan ten grondslag ligt.

Mensen met een con­ver­sie­stoor­nis (functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis) ervaren ‘functionele’ symptomen of subjectieve beperkingen van de willekeurige motoriek of in de sensorische functies. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat deze deficiënties of symptomen incompatibel zijn met een bekende neurologische of andere somatische ziekte. Als er wel aanwijzingen zijn voor een bekende neurologische, andere somatische, of psychiatrische stoornis, dient het symptoom niet beter door die stoornis te kunnen worden verklaard. Het verschil tussen de con­ver­sie­stoor­nis en andere stoornissen uit deze groep van somatisch-symp­toom­stoor­nis­sen en verwante stoornissen is dat bij die eerste de somatisch onverklaarde symptomen een hoofdkenmerk van de classificatie zijn gebleven. De classificatie mag echter niet worden toegekend enkel en alleen omdat onderzoek naar de oorzaak geen duidelijk abnormale bevindingen heeft opgeleverd; er moeten ook aanwijzingen zijn dat de symptomen van functionele origine zijn, blijkens interne inconsistenties of in­com­pa­ti­bi­li­teit met een bekend ziekteproces.

De classificatie ‘psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden‘ stond in de DSM-IV onder ‘Andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn’ (als ‘psychische factoren die een somatische aandoening beïnvloeden’) en valt nu in de categorie ‘somatisch-symp­toom­stoor­nis en verwante stoornissen’. Het hoofdkenmerk van de stoornis is de aanwezigheid van klinisch significante psychische of gedragsfactoren die een ongunstige invloed hebben op de behandeling van een gelijktijdig optredende somatische aandoening, waardoor de kans op een ongunstige somatische of psychische uitkomst toeneemt.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.