Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Voor het beoordelen van een patiënt op obstructieve slaapapneu/hypopneu zijn een anamnese en polysomnografie vereist. De classificatie obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom kan worden toegekend door ofwel de aanwezigheid van klinische symptomen in combinatie met een AHI van minstens 5 voorvallen per uur bij polysomnografie, of een AHI van 15 of meer voorvallen per uur, ongeacht de symptomen. De klachten die in de anamnese aan het licht moeten worden gebracht, treden zowel overdag als tijdens de slaapperiode op. Mensen kunnen overmatige slaperigheid, vermoeidheid en cognitieve klachten zoals verminderde concentratie melden. Een bedpartner kan behulpzaam zijn bij het melden van symptomen die tijdens de slaap optreden; iemand kan zich er bijvoorbeeld niet van bewust zijn dat hij of zij snurkt of een stokkende ademhaling heeft, tot iemand anders hem of haar dat vertelt. Andere symptomen die de classificatie ondersteunen, maar die niet in de criteria zijn opgenomen, zijn transpireren tijdens de slaap, slaap­frag­men­ta­tie, frequente nycturie, och­tend­hoofd­pijn en een droge mond. Bepaalde comorbide aandoeningen, vooral hypertensie, car­di­o­vas­cu­lai­re aandoeningen, gastro-oesofageale reflux, astma of allergieën, duiden ook op obstructieve slaapapneu/hypopneu. Een fa­mi­lie­ge­schie­de­nis van obstructieve slaapapneu/hypopneu wijst op de aanwezigheid ervan bij de patiënt, omdat er waarschijnlijk een genetische basis is voor het syndroom en ook lichamelijke kenmerken iemand vatbaar maken voor adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaap­stoor­nis­sen. In de criteria zijn geen kenmerken uit lichamelijk onderzoek opgenomen, maar deze kunnen wel op de stoornis wijzen, bijvoorbeeld obesitas, hypertensie, bewijs van neusobstructie (scheef neustussenschot, vergrote neusschelpen), ton­sil­hy­per­tro­fie, een Mallampati-score van 3 of 4, en afwijkingen van de kaakstructuur die leiden tot een kleinere oro-/nasofarynx. Sekse is ook een belangrijke factor om te overwegen, omdat mannen een verhoogd risico hebben op obstructieve slaapapneu/hypopneu; wanneer vrouwen de menopauze bereiken, wordt het risicoverschil echter genivelleerd.

Om de stoornis vast te stellen is polysomnografie nodig. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd ofwel in een ziekenhuis (meestal poliklinisch) of thuis met behulp van ambulante monitoring. Polysomnografie geeft informatie over het tijdstip dat de patiënt in slaap valt, de slaapstadia die hij of zij doormaakt, en bepaalde vitale functies (zoals hartslag en zuur­stof­ver­za­di­ging), evenals over de vraag of er sprake is van beperkingen in de nasale of orale stroom of de ademarbeid.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.