Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
Obstructieve slaapapneu/hypopneu moet worden onderscheiden van primair snurken en andere slaapstoornissen. Uiteindelijk zal polysomnografisch onderzoek het nuttigst zijn om deze stoornis van andere stoornissen te onderscheiden, maar er zijn aspecten van de anamnese die behulpzaam kunnen zijn bij de overweging van andere aandoeningen. Zo kan iemand met een voorgeschiedenis van congestief hartfalen obstructieve slaapapneu/hypopneu hebben, maar ook centrale slaapapneu (Cheyne-Stokes-ademhaling). Ook loopt een patiënt die grote doses langwerkende opioïden neemt risico op centrale slaapapneu.
Slaapgerelateerde hypoventilatie moet worden overwogen bij iemand die morbide obesitas heeft, hypnotica neemt, of een neuromusculaire of longaandoening heeft. Andere slaapstoornissen die overmatige slaperigheid kunnen veroorzaken moeten ook worden overwogen, zoals narcolepsie, circadianeritme-slaap-waakstoornissen of een hypersomnolentiestoornis. Obstructieve slaapapneu/hypopneu kan echter zeker comorbide met deze stoornissen optreden.
De insomniastoornis komt vaak gezamenlijk met obstructieve slaapapneu/hypopneu voor; mensen met een insomniastoornis klagen doorgaans vaker over vermoeidheid en blijken bij objectieve metingen niet slaperig te zijn. Zij vertonen doorgaans ook grote bezorgdheid over hun slaap. Mensen met nachtelijke paniekaanvallen melden vaak subjectieve klachten die aanzienlijk overlappen met die van obstructieve slaapapneu/hypopneu (naar adem snakken, verstikking of hartkloppingen bij het ontwaken). Maar deze symptomen worden meestal ook bij paniekaanvallen overdag gezien, en ze komen minder vaak voor en hangen minder vaak samen met overmatige slaperigheid. Kinderen kunnen zich net als Ricky presenteren met symptomen die lijken op ADHD (zoals hyperactiviteit, onoplettendheid en schoolachterstanden), die door een behandeling van de obstructieve slaapapneu/hypopneu kunnen verbeteren. Symptomen die opgewekt worden door een middel of medicatie kunnen lijken op een obstructief-slaapapneu-/hypopneusyndroom. Zo kan de inname van alcohol voor het slapengaan leiden tot een grotere ontspanning van de spieren en verslapping van de luchtwegen. Nogmaals: voor het differentiëren van deze stoornissen is polysomnografie uiteindelijk van groot belang.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.