Dissociatieve identiteitsstoornis

Mevrouw Van Montfoort, een 37-jarige gescheiden secretaresse, meldt zich voor behandeling vanwege hiaten in haar geheugen, suïcidale gedachten en re­la­tie­pro­ble­men. Ze kan zich bepaalde handelingen niet herinneren waarvan anderen zeggen dat ze die heeft verricht. Ze heeft ook een keer gemerkt dat de gastank in haar auto, die ze net had laten vullen, de volgende dag halfleeg was, en dat er meer kilometers op de teller stonden dan ze had gedacht. Ze is altijd een harde werker geweest, maar ze heeft maar weinig sociale contacten en bezigheden, en brengt een groot deel van de tijd alleen door. Ze wantrouwt anderen snel en heeft vaak het gevoel dat haar relaties van haar profiteren. Ze voelt zich geregeld bedroefd, maar het lukt haar wel om haar somberheid in het belang van haar werk opzij te zetten. Ze heeft zelf het initiatief genomen tot de scheiding en heeft weinig interesse in een nieuwe relatie met een man. Ze is opgegroeid in een gezin waarin strenge religieuze waarden benadrukt werden, maar waarin ze zich altijd onbegrepen en een buitenbeentje heeft gevoeld. Later is gebleken dat een familielid haar gedurende enkele jaren fysiek heeft mishandeld en seksueel heeft misbruikt. Ze neemt het zichzelf zeer kwalijk dat ze niet van huis is weggelopen. Verder onderzoek, waaronder een meting van haar hyp­no­ti­seer­baar­heid, geeft aan dat ze zeer gemakkelijk te hypnotiseren is. Mevrouw Van Montfoort heeft nooit middelen gebruikt. In de loop van het onderzoek switcht ze tussen verschillende per­soon­lijk­heids­toe­stan­den, namelijk een sombere persona, een tweede persona die boos en kritisch is ten aanzien van de eerste, en een derde met een kinderlijke persoonlijkheid.

De hoofdkenmerken van het beeld van mevrouw Van Montfoort zijn hiaten in het geheugen, switchen tussen per­soon­lijk­heids­toe­stan­den en een voor­ge­schie­de­nis met seksueel misbruik. Om de diagnose dissociatieve iden­ti­teits­stoor­nis (DIS) te kunnen stellen, hoeft de clinicus de veranderingen in de identiteit niet zelf te observeren. Het bewijs voor dissociatie wordt geleverd door een geschiedenis van hiaten in het geheugen, meldingen door anderen van veranderingen in de identiteit, of aanwijzingen voor gedrag dat de patiënt niet kan verklaren. Bij dergelijke gevallen komt seksueel misbruik in de voor­ge­schie­de­nis vaak voor. Mensen met DIS zijn ook vaak somber, maar veranderingen in het affect zijn meestal onderdeel van het dissociatieve proces (de ene identiteit is bijvoorbeeld hoofdzakelijk verdrietig, de andere boos enzovoort). Gestructureerd switchen tussen identiteiten, vaak gefaciliteerd door hypnose, kan de patiënt helpen om de dissociatie te begrijpen en onder controle te houden. Daarnaast is behandeling van de depressiviteit en de suïcidale gedachten nodig, en psychotherapie gericht op stabilisatie, affectregulatie, en tot slot de psy­cho­trau­ma­ti­sche herinneringen. Ook is het belangrijk om een therapeutische structuur op te zetten voor het bieden van bescherming, aangezien dergelijke mensen meer geneigd zijn om deel te nemen aan activiteiten die het risico op verdere mishandeling vergroten. Zij verwachten ook vaak slecht behandeld te worden door mensen in hun leven die hen helpen of verzorgen, inclusief de therapeut, zodat het van belang is om aandacht te besteden aan ‘psy­cho­trau­ma­ti­sche overdracht’.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.