Differentiële diagnostiek
Differentiële diagnostiek
De eerste belangrijke stap is het differentiëren van RBS van andere pijnaandoeningen, voornamelijk van de extremiteiten. Bij een ongemakkelijk gevoel door een bepaalde houding zou dit niet blijvend optreden en geen duidelijk circadiaan patroon hebben. Dit gaat waarschijnlijk volledig over door een andere houding aan te nemen. Kramp in de benen kan eveneens periodiek optreden en patiënten kunnen vaak tijdens de kramp met hun hand voelen dat de spier is samengetrokken. Door te bewegen kan de kramp verbeteren. Perifere neuropathie kan vermoed worden bij iemand met een voorgeschiedenis die wijst op deze aandoening (bijvoorbeeld iemand die diabetes mellitus heeft, of die neurotoxische middelen heeft gebruikt) en dit zou dan een chronisch, constant karakter moeten hebben. Bij acathisie door neuroleptica wordt geen circadiaan ritme verwacht, en er zou waarschijnlijk een chronologisch verband zijn met de start van medicatie of een verhoging van de dosis. Bij andere pijnsyndromen kan inactiviteit de klachten verergeren, maar dit blijft niet beperkt tot een bepaald moment van de dag. Bij iemand met een perifere vaatziekte wordt claudicatio juist uitgelokt door beweging. Angst of insomnia kan samenhangen met de beleving van een verstoorde slaap, en kan een gevoel van rusteloosheid veroorzaken dat niet verdwijnt door te bewegen.
Bij kinderen moet ongemak of letsel door een verkeerde houding in de differentiële diagnostiek worden overwogen. Net als bij volwassenen treden deze klachten waarschijnlijk niet op met een circadiaan ritme, en leiden ze niet tot het ontwaken van het kind op vaste momenten, maar treden ze eerder onregelmatig op.
Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentiële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentiële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.