Het status-mentalisonderzoek

In het status-men­ta­lis­on­der­zoek worden specifieke kenmerken van het uiterlijk voorkomen, de psychische ervaringen en het gedrag van de patiënt beoordeeld. In deze gestructureerde beoordeling wordt steeds gebruikgemaakt van dezelfde terminologie. Het status-men­ta­lis­on­der­zoek bestaat over het algemeen uit deze onderdelen: eerste indrukken; cognitieve functies, affectieve functies en conatieve functies (trias psychica); en per­soon­lijk­heids­trek­ken. In tabel 2-1 is een aantal voorbeelden opgenomen van zaken die in een status-mentalisverslag staan. De tabel is niet universeel en zeker niet uitputtend; zie hiervoor in Nederland en Vlaanderen Het psychiatrisch onderzoek (Hengeveld & Schudel 2011), de Richtlijn psychiatrische diagnostiek van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (Hengeveld et al. 2015) en het Leerboek psychiatrie (Hengeveld et al. 2016).

TABEL 2-1

Onderdelen van het status-men­ta­lis­on­der­zoek

Eerste indrukken Uiterlijk, contact en houding, klach­ten­pre­sen­ta­tie, gevoelens en reactie bij de onderzoeker

Cognitieve functies Bewustzijn, aandacht en oriëntatie; perceptueel-motorische functies; geheugen; intellectuele functies; sociaal-cognitieve functies; voorstelling, waarneming en zelfwaarneming; denken

Affectieve functies Stemming en affect; somatische klachten en verschijnselen; sociaal-emotionele functies

Conatieve functies Psychomotoriek; motivatie en gedrag

Per­soon­lijk­heids­trek­ken Cluster A, cluster B, cluster C

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.