Bestudeer de volgende casus

Bestudeer de volgende casus

Marrit Wolters, een 25-jarige vrouw met schizofrenie, komt samen met haar partner en hun buurvrouw, die een goede vriendin van het stel is, naar de polikliniek. De buurvrouw wil de zaak onder vier ogen bespreken met de psychiater. Blijkbaar is ze bezorgd over de algehele situatie van haar buren. De psychiater vraagt het stel of dit in orde is, en zij geven toestemming.

De buurvrouw vertelt dat mevrouw Wolters an­ti­psy­cho­ti­sche medicijnen neemt tegen schizofrenie, maar nog steeds voortdurend denkt dat er mensen achter haar aan zitten en dat ze via de tv, computer en camera’s in haar huis wordt gevolgd. De buurvrouw heeft gemerkt dat de vriend ook een aantal van deze vreemde dingen gelooft. Zo hielp hij zijn vriendin de ramen af te dekken, zodat ‘spi­o­na­ge­sa­tel­lie­ten’ geen foto’s van hen konden nemen. Hij zei tegen de buurvrouw: ‘Je weet maar nooit — het kan echt waar zijn.’ Hij was het ook steeds vaker eens met de vreemde overtuiging van mevrouw Wolters dat buitenaardse levensvormen de lichamen van mensen kunnen overnemen. De buurvrouw heeft gemerkt dat de symptomen van de vriend lijken te verbeteren als de twee enkele weken van elkaar zijn gescheiden. Zijn overtuigingen zijn lang niet zo sterk als die van zijn vriendin, maar de buurvrouw wil voorkomen dat het stel elkaars problemen versterkt. Ze kent haar buren al enkele jaren, en vindt dat de vrouw de dominantste is van de twee.

Als de psychiater onder vier ogen met de vriend van mevrouw Wolters spreekt, ontkent hij actieve verschijnselen zoals hallucinaties te hebben en meldt hij ook geen andere problemen zoals middelengebruik of stem­mings­symp­to­men. Hij is welbespraakt, heeft een parttimebaan en houdt veel van zijn vriendin. Hij maakt een passieve indruk en lijkt in veel opzichten emotioneel afhankelijk van haar. Als de gefixeerde, onjuiste overtuigingen van zijn vriendin worden besproken, beaamt hij dat ze psychisch ziek is, maar spreekt ook uit dat hij vindt dat veel van haar gedachten ‘echt zouden kunnen zijn’. Hij zegt dat hij boeken over ufo’s en buitenaardse waarnemingen aan het lezen is en dat hij het eens is met veel van haar opvattingen over deze en andere kwesties, zoals camera’s in de openbare ruimte. Hij bespreekt deze dingen pas als de psychiater er specifiek naar vraagt.

In 1877 beschreven Lasègue en Falret de folie à deux (‘waanzin met zijn tweeën’), waarin de primaire casus (de inductor) een psychotische stoornis heeft, zoals schizofrenie. De secundaire casus heeft meestal een nauwe band met de inductor; het gaat bijvoorbeeld om de echtgenoot of een broer of zus. De inductor heeft meestal een dominantere per­soon­lijk­heids­stijl. De secundaire casus is mogelijk enigszins kwetsbaar wat de persoonlijkheid of andere onbekende aspecten betreft.

In dit geval deelt de vriend veel van de waanideeën van zijn vriendin. Hij voldoet niet aan de criteria voor schizofrenie, omdat hij niet de gebruikelijke symptomen heeft van criterium A, zoals hallucinaties of ge­des­or­ga­ni­seerd(e) spreken of gedachten. Hij deelt slechts een deel van de wanen van zijn vriendin en heeft een mildere, minder bizarre presentatie. Daarom is bij hem sprake van een waanstoornis met bizarre inhoud. In dit geval kunnen de symptomen verworven zijn via een dominante psychotische partner. Bij de secundaire casus treedt meestal verbetering op wanneer de betrokkene enige tijd gescheiden wordt van de primaire casus.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.