F63.2
CLASSIFICATIECRITERIA
ARecidiverend onvermogen om weerstand te bieden aan de impulsen om voorwerpen te stelen die niet nodig zijn voor eigen gebruik of vanwege de geldelijke waarde ervan.
Dit criterium richt zich op diefstal in reactie op een doelloze impuls om voorwerpen te stelen die men niet nodig heeft. Dit wordt vaak beschouwd als het criterium dat mensen met kleptomanie onderscheidt van gewone winkeldieven, maar de interpretatie van dit criterium is omstreden. Het stereotype van de vrouwelijke kleptomaniepatiënt van middelbare leeftijd die bepaalde voorwerpen steelt, is mogelijk niet van toepassing op alle mensen met kleptomanie. Het kan voorkomen dat mensen met kleptomanie de voorwerpen die ze stelen graag willen bezitten en ze ook gebruiken, maar ze hebben ze niet nodig. Dit kan met name het geval zijn bij mensen met kleptomanie die ook voorwerpen verzamelen. Deze mensen kunnen meerdere exemplaren van hetzelfde artikel stelen; hoewel het voorwerp dan zelf gewenst kan zijn, is het niet echt nodig.
BToenemend gevoel van spanning vlak voor het plegen van de diefstal.
Veel mensen ervaren een gevoel van spanning vlak voor het plegen van een diefstal, maar ook lust of voldoening erna. De toepassing van deze criteria is soms problematisch, omdat betrokkenen gevoelens van spanning of opwinding voorafgaand aan de daad, en gevoelens van lust of opluchting erna kunnen ontkennen, terwijl ze duidelijk een probleem hebben met het stelen van voorwerpen die ze niet nodig hebben.
CGevoelens van lust, voldoening of opluchting tijdens het plegen van de diefstal.
Veel mensen ervaren een gevoel van spanning vlak voor het plegen van een diefstal, maar ook lust of voldoening erna. De toepassing van deze criteria is soms problematisch, omdat betrokkenen gevoelens van spanning of opwinding voorafgaand aan de daad, en gevoelens van lust of opluchting erna kunnen ontkennen, terwijl ze duidelijk een probleem hebben met het stelen van voorwerpen die ze niet nodig hebben.
DHet stelen gebeurt niet als een uiting van boosheid of wraak en is geen reactie op een waan of hallucinatie.
Dit criterium helpt om mensen die een bepaald motief hebben om te stelen (‘een uiting van boosheid of wraak’) te onderscheiden van de gewone betrokkene met kleptomanie die er simpelweg niet in slaagt om weerstand te bieden aan een impuls. Bovendien dient het stelen niet ingegeven te zijn door psychotische denkbeelden.
EHet stelen kan niet beter worden verklaard door een normoverschrijdendg-edragsstoornis, een manische episode of een antisociale-persoonlijkheidsstoornis.
Deze uitsluitingen zijn nodig omdat mensen tijdens manische episoden voorwerpen meenemen in reactie op hun abnormale gedachten en gedrag. Een jongere met een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een volwassene met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis kunnen diefstal plegen omdat ze de artikelen die ze stelen willen bezitten; dit is het stelen in de gewone betekenis. Zij stelen zonder aandacht te besteden aan de gevolgen van hun gedrag, of aan de mensen die ze daardoor schade berokkenen.