De hoofdkenmerken van de psychotische stoornis door een somatische aandoening zijn prominent aanwezige wanen of hallucinaties waarvan wordt geoordeeld dat ze kunnen worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een somatische aandoening, en niet beter kunnen worden verklaard door een andere psychische stoornis (de symptomen zijn bijvoorbeeld geen psychologisch verklaarbare reactie op een ernstige somatische aandoening, in welk geval de classificatie ‘kortdurende psychotische stoornis, met duidelijke stressor’ gepast zou zijn).
De hallucinaties kunnen in elke zintuiglijke modaliteit optreden (visueel, olfactorisch, tactiel, auditief of gustatorisch), maar bepaalde etiologische factoren roepen wel vaker specifieke hallucinatoire verschijnselen op. Olfactorische hallucinaties duiden bijvoorbeeld op temporale epilepsie. Hallucinaties kunnen variëren van simpel en vormloos tot zeer complex en georganiseerd, afhankelijk van etiologische en omgevingsfactoren. De psychotische stoornis door een somatische aandoening wordt over het algemeen niet geclassificeerd als er bij de betrokkene nog wel sprake is van realiteitsbesef wat betreft de hallucinaties, en wanneer hij of zij onderkent dat deze worden veroorzaakt door de somatische aandoening. Wanen kunnen over allerlei verschillende thema’s gaan; er zijn somatische, grootheids-, religieuze en, vooral, achtervolgingswanen. Over de hele linie is het verband tussen wanen en bepaalde somatische aandoeningen echter minder specifiek dan het geval is bij hallucinaties.
Hoewel er geen ‘harde’ richtlijnen bestaan om te bepalen of er een etiopathogenetische relatie is tussen de psychotische stoornis en de somatische aandoening, kunnen drie overwegingen hierbij wel een leidraad bieden: biologische plausibiliteit, temporaliteit en typiciteit. Ten eerste dient de aanwezigheid van een somatische aandoening te worden vastgesteld die door een verondersteld fysiologisch mechanisme (bijvoorbeeld een ernstige gegeneraliseerde infectie, porfyrie, lupus, epilepsie van de temporaalkwab) in potentie psychosesymptomen kan veroorzaken (biologische plausibiliteit). Een tweede overweging betreft de vraag of er een temporeel verband bestaat tussen begin, exacerbatie en remissie van de somatische aandoening en die van de psychosesymptomen (temporaliteit). Een derde overweging in het voordeel van een etiopathogenetische relatie betreft de aanwezigheid van kenmerken die atypisch zijn voor een onafhankelijke psychotische stoornis (zoals een atypische beginleeftijd of de aanwezigheid van visuele of olfactorische hallucinaties) (typiciteit). Tot slot dienen andere oorzaken van psychosesymptomen dan de fysiologische gevolgen van een somatische aandoening te worden overwogen en uitgesloten (zoals een psychotische stoornis door een middel/medicatie of psychosesymptomen die als bijwerking optreden tijdens de behandeling van een somatische aandoening).
Het chronologische verband met het begin of de verergering van de somatische aandoening biedt de grootste zekerheid dat de wanen of hallucinaties aan een somatische aandoening kunnen worden toegeschreven. Andere factoren kunnen zijn: gelijktijdige behandelingen voor de onderliggende somatische aandoening die op zichzelf een risico op psychose betekenen, zoals een behandeling met steroïden voor auto-immuunziekten.
De classificatie psychotische stoornis door een somatische aandoening hangt af van de individuele klinische situatie van de patiënt. Ook welke diagnostische tests worden gebruikt, hangt af van de betreffende somatische aandoening. Een verscheidenheid van somatische aandoeningen kan psychosesymptomen veroorzaken. Dit zijn neurologische aandoeningen (bijvoorbeeld neoplasmata, cerebrovasculaire aandoeningen, de ziekte van Huntington, de ziekte van Parkinson, multiple sclerose, epilepsie, beschadigingen of beperkingen van de gehoors- of oogzenuw, doofheid, migraine, infecties van het centrale zenuwstelsel), endocriene aandoeningen (zoals hyper- en hypothyreoïdie, hyper- en hypoparathyreoïdie, en hyper- en hypoadrenocorticisme), stofwisselingsziekten (bijvoorbeeld hypoxie, hypercapnie, hypoglycemie), vitamine B12-deficiëntie, verstoringen van de vocht- of elektrolytenhuishouding, lever- of nieraandoeningen, en auto-immuunziekten met effecten op het centrale zenuwstelsel (zoals systemische lupus erythematosus en N-methyl-D-aspartaat-(NMDA-)receptor-auto-immuunencefalitis). De bevindingen bij lichamelijk onderzoek, laboratoriumuitslagen en de patronen van prevalentie en begin van de psychose kunnen een aanwijzing geven over de onderliggende somatische aandoening.