Het voornaamste kenmerk van de ruminatiestoornis is de herhaalde regurgitatie van voedsel na de voeding of het eten gedurende minstens één maand (criterium A). Voedsel dat eerder is doorgeslikt en mogelijk deels is verteerd, komt weer naar boven, in de mond, zonder dat er sprake lijkt te zijn van misselijkheid, kokhalzen of een gevoel van walging. Het voedsel kan opnieuw worden gekauwd en vervolgens worden uitgespuwd of opnieuw worden doorgeslikt. Het regurgiteren bij de ruminatiestoornis dient frequent voor te komen, minstens enkele keren per week, doorgaans dagelijks. Het gedrag kan niet beter worden verklaard door een samenhangende gastro-intestinale of andere somatische aandoening (zoals gastro-oesofageale reflux of pylorusstenose) (criterium B) en komt niet alleen voor tijdens het beloop van anorexia nervosa, boulimia nervosa, een eetbuistoornis of een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis (criterium C). Wanneer de symptomen zich binnen de context van een andere psychische stoornis voordoen (zoals een verstandelijke-ontwikkelingsstoornis (verstandelijke beperking) of een andere neurobiologische ontwikkelingsstoornis), dienen deze ernstig genoeg te zijn om aanvullende behandeling te rechtvaardigen (criterium D) en dient dit een primair aspect te zijn in het klinische beeld van de betrokkene, waarvoor een interventie noodzakelijk is. De classificatie kan gedurende het hele leven worden toegekend, vooral bij mensen met een verstandelijke-ontwikkelingsstoornis. Bij veel mensen met een ruminatiestoornis treedt het rumineergedrag op tijdens het onderzoek door de clinicus. In andere gevallen kan de classificatie worden toegekend op basis van zelfrapportage of worden bevestigd door de informatie van de ouders of verzorgers. De betrokkenen beschrijven het gedrag soms als gewoon of als iets waarover zij geen controle hebben.