Ru­mi­na­tie­stoor­nis

Rumination disorder

F98.2

CLASSIFICATIECRITERIA

AHerhaalde regurgitatie van voedsel gedurende een periode van minstens één maand. Het geregurgiteerde voedsel kan opnieuw worden gekauwd, of worden ingeslikt of uitgespuugd.

Dit criterium vereist een herhaaldelijk uitbraken van voedsel gedurende minstens één maand. Niet alle mensen met de rumi­na­tie­stoor­nis herkauwen het uitgebraakte voedsel. Vooral ouderen en mensen met een normale intelligentie doen dit meestal niet. Daarom is in de DSM-5 het vereiste van herkauwen geschrapt. In plaats daarvan is toegevoegd: ‘Het geregurgiteerde voedsel kan opnieuw worden gekauwd, of worden ingeslikt of uitgespuugd.’ Bovendien is het DSM-IV-vereiste dat het gedrag moest volgen op ‘een periode van normaal functioneren’ verwijderd, omdat dit moeilijk te bepalen kan zijn.

BDe herhaalde regurgitatie kan niet worden toegeschreven aan een samenhangende gastro-intestinale of andere somatische aandoening (zoals gastrooes­ofa­ge­a­le reflux of pylorusstenose).

Mensen met een rumi­na­tie­stoor­nis hebben mogelijk een voor­ge­schie­de­nis met reflux, en het kan moeilijk zijn om de somatische en psychologische componenten van het gedrag op betrouwbare wijze klinisch te ontleden. Daarom wordt in de DSM-5 vereist dat een samenhangende gastro-intestinale of andere somatische aandoening wordt uitgesloten.

CDe eetstoornis treedt niet uitsluitend op in het beloop van anorexia nervosa, boulimia nervosa, een eetbuistoornis of een vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis.

Er zijn veel aanwijzingen dat ruminatiegedrag voorkomt bij mensen met conventionele eetstoornissen. Dit criterium vereist dat het rumineren meer dan een symptoom is van een van deze eetstoornissen. Als het gedrag niet in het kader van die eetstoornis plaatsvindt, kan een afzonderlijke classificatie rumi­na­tie­stoor­nis worden toegekend.

DIndien de symptomen optreden binnen de context van een andere psychische stoornis (zoals een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis (verstandelijke beperking) of een andere neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis), zijn deze ernstig genoeg om afzonderlijke aandacht te rechtvaardigen.

De rumi­na­tie­stoor­nis treedt vaak op in het kader van ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen, en fungeert vaak als zelfstimulatie. In deze gevallen kan het gedrag beter beschouwd worden als een symptoom van deze andere stoornissen of aandoeningen. Als het ruminatiegedrag ernstig genoeg is om afzonderlijke klinische aandacht te rechtvaardigen, dan is de bijkomende classificatie rumi­na­tie­stoor­nis van toepassing. In de DSM-5 is de formulering gewijzigd van ‘tijdens het beloop van’ tot ‘in de context van’ om de samenhang met de parallelle criteria voor pica en de vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis te behouden, en omdat er bij één van de gegeven voorbeelden (namelijk de verstandelijke beperking) strikt genomen geen sprake is van een beloop.

Specificeer indien:

In remissie De betrokkene heeft voorheen volledig aan de criteria voor de rumi­na­tie­stoor­nis voldaan, maar voldoet inmiddels gedurende een langere periode aan geen van de criteria.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.