Cafeïne kan op verschillende manieren worden genuttigd, onder andere via koffie, thee, cafeïnehoudende energiedrankjes, vrij verkrijgbare pijnstillers en antiverkoudheidsmiddelen, afslankproducten en chocolade. Cafeïne wordt ook steeds meer gebruikt als toevoeging bij vitamines en voedingsproducten. Meer dan 85% van alle kinderen en volwassenen in de Verenigde Staten consumeert cafeïne. Sommige mensen die cafeïne gebruiken, krijgen symptomen die horen bij een problematisch gebruik, waaronder tolerantie en onttrekking (zie de paragraaf ‘Onttrekkingssyndroom van cafeïne’, verderop in dit hoofdstuk). Op dit moment zijn er te weinig gegevens om iets te kunnen zeggen over de prevalentie en klinische significantie van een stoornis in het gebruik van cafeïne. Aan de andere kant zijn er wel aanwijzingen dat het onttrekkingssyndroom van cafeïne en intoxicatie door cafeïne klinisch significant en voldoende prevalent zijn.
Het hoofdkenmerk van intoxicatie door cafeïne is de recente consumptie van cafeïne en daarnaast vijf of meer klachten of verschijnselen die zich tijdens of kort na het cafeïnegebruik ontwikkelen (criteria A en B). Deze symptomen zijn onder andere rusteloosheid, nervositeit, opwinding, insomnia, flush, diurese en gastro-intestinale klachten, die bij lage doseringen (bijvoorbeeld 200 mg) kunnen optreden bij kinderen, ouderen en mensen die nooit eerder aan cafeïne zijn blootgesteld. De symptomen die meestal bij een gebruik van een of meer gram per dag voorkomen zijn spiertrekkingen, onsamenhangend denken en praten, tachycardie of cardiale aritmie, perioden waarin de betrokkene onvermoeibaar is en psychomotorische agitatie. Een intoxicatie door cafeïne kan ondanks een hoge inname van cafeïne uitblijven, doordat de betrokkene een tolerantie heeft ontwikkeld. De klachten of verschijnselen moeten klinisch significante lijdensdruk of beperkingen veroorzaken in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium C). De klachten of verschijnselen mogen niet zijn toe te schrijven aan een somatische aandoening en kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis (zoals een angststoornis) of door intoxicatie door een ander middel (criterium D).